De Grand Canyon is ook van mij; Schrijver Albert French over racisme en Vietnam

Albert French publiceerde twee romans over de verhoudingen tussen blank en zwart in Amerika. “Zou een zwarte man nog steeds worden gelyncht omdat hij een blank meisje zwanger heeft gemaakt? Ik denk het wel”, zegt de schrijver. Binnenkort verschijnt Patches of Fire, zijn autobiografische roman over de oorlog in Vietnam.

Albert French: Holly. vert. Rien Verhoef. Uitg. Balans, 268 blz. Prijs ƒ 37,50.

Albert French draagt zichtbaar de sporen van de gebeurtenis die zijn leven veranderde. Op de vroege ochtend van 10 december 1965 werd hij in een Vietnamees rijstveld door een kogel geraakt. Daarna werd alles anders. “Ik kon kiezen”, zegt hij. “Mezelf door het hoofd schieten, zoals ik veel van mijn makkers heb zien doen, of schrijven.” Aan de linkerkant van zijn hals is het litteken nog steeds zichtbaar.

French, 53, zwart, tenger, geboren en nog altijd wonend in Pittsburgh, Pennsylvania, is nu schrijver. Het heeft lang geduurd. Hij was vijftig toen hij in 1993 debuteerde met de krachtige roman Billy. Het boek, dat zich in 1937 in Mississippi afspeelt, gaat over het tienjarig jongetje Billy Lee Turner dat per ongeluk een blank meisje doodt. Daarvoor wordt hij op zijn beurt op de elektrische stoel gedood. Het boek werd meteen na verschijning een succes. De Nederlandse vertaling beleefde vier drukken.

Na nog geen jaar verscheen Holly, dat onlangs in vertaling uitkwam. In deze roman, die zich in 1944 afspeelt, raakt het naïeve blanke meisje Holly uit een dorp in North Carolina verliefd op de zwarte Elias, die in de oorlog een arm heeft verloren. In Holly gaat French veel dieper in op zijn hoofdpersoon dan in zijn eerste roman, maar pas aan het slot krijgt het verhaal dezelfde urgentie als zijn debuut. Inmiddels is hij bijna klaar met het autobiografisch getinte Patches of Fire, waaraan hij als eerste was begonnen maar dat als zijn derde boek zal verschijnen.

We spreken elkaar in New York, waar French moet zijn voor ontmoetingen met de producenten die Billy en Holly gaan verfilmen. Holly is net als French' eersteling een succes en in diverse talen vertaald. Ook van Patches of Fire zijn al verschillende voorpublicaties verschenen.

Nog steeds is French verwonderd over de wending die zijn leven heeft genomen. “Het is alsof ik via de achterdeur het toneel heb betreden. Maar laat ik je dit vertellen: mijn appartement in Pittsburgh is nog even stoffig als het was.”

Hij zegt zichzelf moeilijk als Schrijver te kunnen zien ('sounds too stuffy'), en hij bedoelt dat niet koket. “Ik ken niet veel grote woorden, dus gebruik ik steeds weer dezelfde kleine. Ik heb de middelbare school afgemaakt, dat wel, en ik ben twee keer naar een college geweest - een keer voor zes weken, een andere keer voor zes maanden. Maar ik ben niet goed in spellen en het verschil tussen een voornaamwoord en een voorzetsel weet ik nog steeds niet.”

Een opmerkelijke opmerking van een auteur die vanwege het taalgebruik in zowel Billy als Holly 'een nieuwe Faulkner' werd genoemd. French gnuift. “Ik was helemaal niet bezig de Engelse taal opnieuw te creëren. Het gebeurde gewoon. Achter niets wat ik heb gedaan zit een plan of een formule. Ik heb de taal van het Diepe Zuiden opgeschreven zoals de mensen daar die spreken. Ook in Patches of Fire gebruik ik dialect, daar waar het toepasselijk is. Zelf spreek ik niet zo, maar veel mensen uit mijn omgeving wel.”

Brandend kruis

French maakte voor het eerst kennis met het zuiden op een reis in 1963. “Toen hingen nog overal borden met 'whites only' en zag ik op een veld een kruis branden.” Pas toen hij met Billy bezig was, heeft hij voor het eerst de staat Mississippi bezocht. Heeft hij zijn twee romans daar gesitueerd om het racisme geloofwaardiger te maken? Het verhaal van Billy is zo indringend en overtuigend, dat menigeen dacht dat het op waar gebeurde feiten moest zijn gebaseerd. “Voor mij werd de keus voor Mississippi ingegeven door de schaamteloosheid van het racisme in het Zuiden. Zeker in de jaren dertig en veertig, de tijd waarin deze twee verhalen zich afspelen, was men daar zonder gêne racistisch.” French is zich er voortdurend van bewust dat Amerika een heel jong land is, dat nog maar kort geleden slavernij kende en een Burgeroorlog onderging. “Die gebeurtenissen werpen nog steeds hun schaduw over de verhoudingen tussen blank en zwart.”

Had het verhaal van de blanke Holly en de zwarte Elias nu een andere, minder gewelddadige einde gekend dan toen, vijftig jaar geleden? Hij denkt na en zegt tenslotte: “Het antwoord is angstaanjagend, want het luidt: misschien, maar misschien ook niet. Zou het nu mogelijk zijn dat een zwart jongetje als een dier wordt opgejaagd en ter dood gebracht wegens een ongeluk? Ik denk het wel. Zou een zwarte man nog worden gelyncht omdat hij een blank meisje zwanger heeft gemaakt? Ik denk het wel.”

Toch, zegt French, is het racisme in deze boeken niet het onderwerp, maar alleen het decor. “Elias had net zo goed een Poolse immigrant of een Hispanic kunnen zijn. Deze verhalen laten zien wat een dergelijke mentaliteit kan aanrichten in twee eenvoudige levens. Maar ze gaan meer over hoe mensen door hun omgeving worden geschapen, dan over hoe ze elkaar haten. Holly en Elias willen allebei iets wat in hun omstandigheden onbereikbaar is - liefde en gezond verstand gaan niet altijd goed samen. Als er één boodschap is die ik graag langer zou zien voortleven dan het boek zelf, dan zijn het de troostende woorden die Elias' moeder tegen Holly spreekt: God don't get mad at you just 'cause you love somebody. Onze passie sterft niet met onze dood.”

De verhalen van Billy en Holly hadden net zo goed geschreven kunnen worden door een blanke, vindt French. “Zwart Amerika is nu op zijn eigen manier racistisch geworden. Lange tijd wilden zwarten er vooral bij horen, nu trekken ze zich terug in hun eigen gemeenschap. Dat vind ik een stap achteruit, daarmee geef je alle zeggenschap uit handen. Dat is toch triest, als je je leven lang niet thuis voelt in je eigen land? Terwijl zwarten juist een groot aandeel hebben in het groot worden van Amerika. Ik heb veel over de geschiedenis geleerd: over de zwarte cowboys, over de zwarte soldaten in de oorlogen tegen de indianen, over de slavernij en de Burgeroorlog. Dit is ook míjn land, en dat van mijn ouders en mijn grootouders, de Grand Canyon en de rivier Mississippi zijn ook van míj, en ik hoop hier niet alleen lang te leven maar er ook heel lang dood te liggen.”

Mariniers

French heeft vier jaar als infanterist bij de mariniers gediend, onder andere in Vietnam. Eenmaal thuis leerde hij zichzelf fotograferen en werkte een aantal jaar voor een krant, de Pittsburgh Post-Gazette. In 1981 besloot hij voor zichzelf te beginnen en richtte een tijdschrift op, de Pittsburg Preview Magazine, dat in 1988 ter ziele ging. Ondertussen werd hij beslopen door het verleden: beelden uit de oorlog doken steeds vaker op, vergezeld van een tergend gevoel van schuld en schaamte, dat hij het wel had overleefd en al die anderen niet. Na twintig jaar ging hij in therapie voor soldaten die in een oorlog vochten, combat therapy.

“Met het tijdschrift ging het bergafwaarts en ik had niets anders te doen dan wat herinneringen aan de oorlog te zitten opschrijven. Voor ik het wist lag er een pak papier en ik dacht: of dit is een boek, of de grootste verzameling verkeerd gespelde woorden ter wereld. Ik stuurde het aan een aantal uitgevers die het in bemoedigende woorden afwezen. In de tussentijd besloot ik maar eens fictie te proberen. Zes weken lang schreef ik zeven per dagen week aan het boek dat Billy werd. Voor die memoires had ik kennelijk meer tijd nodig.”

De titel Patches of Fire heeft een dubbele betekenis. 'The Patch' was de zwarte wijk waar French' stiefvader woonde, in de buurt van de staalfabrieken aan de rand van Pittsburgh; die naam gaf hij aan de wijk waar Billy woont. De titel refereert ook aan iets wat hij op de bewuste 10 december 1965 zag. “De kogel raakte me in de hals terwijl we door de rijstvelden oprukten. Van 's ochtends vroeg totdat het 's avonds eindelijk donker werd heb ik in het water gelegen en de wond met mijn vingers dichtgedrukt. De kogel had de slagader geschampt, zei de veldarts, dus ik wist dat als ik losliet, ik in dat rijstveldje zou doodbloeden. In de uren dat ik daar lag keek ik achterom en zag de gevechtslinie, een heuvel en een bomenrij en daartussen brandden plukken vuur (patches of fire).”

Met een zachte, monotone stem, heel anders dan zijn ruige verhalenstem, vertelt hij over zijn maten van toen. Arthur, bijvoorbeeld, die eerst naar huis belde en French vervolgens verzekerde dat hij, Arthur, de volgende dag zou sterven. En verdomd: onderweg naar het trainingskamp vloog zijn vliegtuig tegen een berg. En over Vernon. “Ik moest hem in het lijkenhuis komen identificeren, waar de lichamen als houtblokken lagen opgestapeld. Maar ik wilde hem niet zien. Later heb ik zijn moeder in Florida opgespoord. Zij was blij dat ik kwam, ze zat steeds te hopen dat hij ineens terug zou komen. Nu zou ze eindelijk weten dat hij dood was, want ik had hem gezien. Maar ik had hem niet gezien.”

Met dezelfde matte stem vraagt hij: zal ik je wat vertellen? En dan, zonder het antwoord af te wachten: “Als ik een van mijn personages ècht aardig vind, echt een goed mens, dan kies ik voor hem een naam uit het boek van gesneuvelde mariniers.”