Christiaan Huygens

De zeventiende eeuw. Tijdschrift van de Werkgroep Zeventiende Eeuw. Verschijnt tweemaal per jaar; 1996 no 1: themanummer gewijd aan Christiaan Huygens. ƒ 35,-. Tel.: 035 6836557.

In de zeventiende eeuw was het bepalen van de lengtepositie op zee, gemeten in graden ten opzichte van de nulmeridiaan, problematisch. Maansverduisteringen lieten zich moeizaam voorspellen en ook de veronderstelde relatie tussen lengtegraad en declinatie (de foutwijzing van een kompas door het niet samenvallen van magnetische en geografische noordpool) bood weinig soelaas. Wat wèl zou helpen was een klok aan boord: je bepaalt het tijdstip waarop de zon op haar hoogst staat, kijkt op de klok hoeveel dat van twaalf uur afwijkt, waarna een eenvoudige berekening je de lengtegraad oplevert. Maar hoe kom je aan een nauwkeurige klok die geen zee te hoog gaat?

Met de uitvinding van het slingeruurwerk, door Christiaan Huygens in 1656, kwam de vereiste nauwkeurigheid binnen bereik. In 1663 en 1664 werden de eerste uurwerken op zee getest, met bemoedigend resultaat. Er waren ook teleurstellingen: Michiel de Ruyter nam een zee-uurwerk mee naar Guinea, maar verzuimde het te gebruiken. In 1686 stuurde Christiaan zijn klokken mee met een VOC-schip op weg naar Kaap de Goede Hoop. De reis leek geen succes: uit het logboek van de Alkmaar bleek dat de klokken een koers aangaven die dwars door Ierland voerde.

Huygens wist in zijn rapport aan de VOC in 1688 de zaak te redden door een correctie door te voeren. Experimenten van Jean Richer hadden uitgewezen dat een slingeruurwerk in Guyana trager liep dan in Parijs. Oorzaak was de rotatie van de aarde, die zich uitte in een iets lagere valversnelling. Hield Huygens rekening met het rotatie-effect, dan kwamen de berekende en de door de Alkmaarbemanning vastgestelde koers goed overeen. Zo week de positie van thuishaven Texel, berekend met de scheepsklok, niet meer dan zeventien boogminuten naar het oosten af, omgerekend negentien kilometer. En dus concludeerde Huygens dat, mits een correctie voor de draaiing van de aarde werd toegepast, zijn klokken nauwkeurige lengtebepaling op zee mogelijk maakten.

Huygens' ongeluk was dat hij rekende met een foutieve waarde van de geografische breedte van Kaap de Goede Hoop. Omdat de klokkenkoers van de Alkmaar per ongeluk goed uitkwam, werd hij op het verkeerde been gezet en zag hij geen reden ook de afplatting van de aarde (een direct gevolg van de draaiing) in rekening te brengen, een effect dat de correctie nog eens versterkt. Weliswaar had Huygens aan boord van de Alkmaar precisie-experimenten naar het verband tussen slingertijd en geografische breedte gepland, maar kort na vertrek uit Kaap de Goede Hoop stierf de klokkenbewaarder en de proef viel in duigen. Nu achtte Christiaan zijn methode superieur aan die uit Newtons Principia, die wel voor de afplatting corrigeerde, en dat bleek hoogmoed.

Bovenstaand stukje wetenschapsgeschiedenis is door Eric Schliesser en George Smith, beiden hoogleraar filosofie, nauwgezet gedocumenteerd. Vorig jaar juli presenteerden de Amerikanen hun bevindingen op een congres dat ter gelegenheid van Chrisiaan Huygens' driehonderdste sterfdag in Leiden en Voorburg werd gehouden. Christiaan, zoon van staatsman-dichter Constantijn, geldt als een van de belangrijkste wetenschappelijke onderzoeker van de zeventiende eeuw, met als hoofdwerk Horologium Oscillatorium uit 1673. Hij was wiskundig zeer begaafd maar een vernieuwer was hij niet. Zo hield hij vast aan de mechanistische visie van Descartes en verfoeide hij om die reden de actio in distans, de werking van de zwaartekracht op afstand, bij Newton.

Van de 32 congresvoordrachten heeft het tijdschrift De zeventiende eeuw er 22 bijeengebracht in een erudiet Christiaan Huygensnummer. Het is een bonte verzameling in drie talen die, aldus gastredacteur Lodewijk Palm, 'een representatief zij het wat heterogeen beeld' geeft van het moderne Huygensonderzoek. Aan bod komt Christiaans verhouding tot illustere tijdgenoten als Newton, Cassini, Leibniz en de Bernoulli's. Verder de uitwerking en receptie van zijn ideeën op het gebied van fysica, mechanica, optica en statistiek. Ook is er aandacht voor Christiaans bemoeienis met muziek, zijn samenwerking met broer Lodewijk en de invloed die zijn slingeruurwerk uitoefende op de vormgeving van de Nederlandse klok.

De nu verschenen bundel vormt een waardevolle bijdrage aan de zeventiende-eeuwse cultuur- en wetenschapsgeschiedenis. Spijtig is het dat de redactie niet de moeite heeft genomen een overkoepelende introductie tot het Huygensonderzoek op te nemen. Ook ontbreekt een verantwoording van de selectie en wordt van de auteurs niet vermeld in welke hoedanigheid ze bij het onderwerp zijn betrokken. Maar wie wil weten wat er aan Huygensonderzoek gaande is, heeft aan dit themanummer een goed vertrekpunt.