Beleid vrouwenhandel werkt valse aangiftes in de hand

Doordat de overheid buitenlandse prostituees aanmoedigt aangifte te doen van vrouwenhandel, neemt de kans op valse aangiftes toe. Dat vinden advocaten van 'vrouwenhandelaren', maar ook hulpverleners.

ROTTERDAM, 20 SEPT. Liliana was achttien toen zij vorig jaar oktober door de politie werd aangehouden. Ze was samen met een paar vrienden en haar evenoude vriendin Endora kort te voren uit Roemenië naar Nederland gekomen. Toen ze werd aangehouden, werkte ze in een bordeel.

Liliana had net als Endora een opleiding telecommunicatie gevolgd, maar geen werk kunnen vinden. Endora's vriend had hun verteld dat Nederland een mooi land was waar het leven heel anders was dan in Roemenië. “Ik had gehoord dat het mogelijk was om als prostituee te werken in Amsterdam en dacht zoveel te kunnen verdienen dat ik bij terugkomst in Roemenië een mooi huis zou kunnen kopen”, aldus Liliana in een verklaring aan de politie.

Samen met haar vriend, de eerder genoemde Endora en nog drie andere Roemenen reisde zij via Polen naar Amsterdam. In een flat in de Bijlmermeer werden de meisjes ondergebracht bij ene 'Frank'. De meisjes werd verteld dat zij in lingerie achter een raam moesten staan en mannen naarbinnen moesten lokken. Wanneer Endora haar verhaal aan een agente van de zedenpolitie vertelt, barst zij in snikken uit, noteert de agente in het proces verbaal.

De eerste dag had Liliana drie klanten: “Ik moest tegen de mannen zeggen dat 'fuck' fifty guilders was voor vijftien minuten.” Zij werkte ruim een week als raamprostituee, van zeven uur 's avonds tot zes uur 's ochtends, en verdiende tussen de zes- en negenhonderd gulden per dag. “Ik moest al het geld aan Frank afgeven. Wij zouden na drie maanden de helft van het geld krijgen”, aldus Liliana.

Tussen de Roemeense prostituees aan de ene en Frank aan de andere kant onstond al snel een conflict over geld. Het conflict liep zo hoog op dat de vrouwen door Frank uit huis werden gezet. Liliana: “We hebben toen een nacht in een hotel doorgebracht. De volgende dag kwamen we op straat een Indiër tegen die broodjes uitdeelde. Bij deze man konden we verblijven. Omdat we toch in ons levensonderhoud moesten voorzien, ben ik weer als prostituee gaan werken in een club.”

Liliana en Endora hadden geen verblijfspapieren of werkvergunning toen ze werden aangehouden. Vroeger zouden zij zonder omhaal het land zijn uitgezet. Nu vraagt de politie de vrouwen aangifte te doen van vrouwenhandel als er ook maar het geringste vermoeden bestaat dat prostituees daarvan het slachtoffer zijn. Wanneer ze dat doen, krijgen ze een verblijfsvergunning op 'beperkte gronden' en mogen ze in afwachting van de strafzaak voor een termijn van ten minste drie maanden in Nederland blijven. Ook kunnen de vrouwen een schadevergoeding eisen. Aldus de uit 1994 daterende zogeheten vreemdelingencirculaire B17.

Frank A. werd aangeklaagd door Liliana, Endora, Laura en Loredana, Roemeense vrouwen die allen en in februari 1996 werden gearresteerd.

T. Bekker van de Stichting tegen vrouwenhandel (STV) kan bij benadering niet zeggen hoeveel vrouwen zeggen slachtoffer te zijn van vrouwenhandel. Bij de STV komen jaarlijks tussen de vijftig en honderd aangiftes binnen. “Lang niet alle politiekorpsen geven aangiftes van vrouwenhandel aan ons door”. De aangiftes worden ook niet centraal geregistreerd.

Bekker staat nog steeds achter de verruiming van de mogelijkheden om aangifte van vrouwenhandel te doen. Maar ze vindt ook dat de politie druk op de prostituees uitoefent. Immers, als de vrouwen geen aangifte doen, komen ze automatisch in vreemdelingenbewaring en worden ze zonder meer uitgezet. Ze erkent dat de verleiding groot is om verklaringen af te leggen die niet op waarheid berusten. Toch vindt ze het moeilijk om van 'valse' aangiftes te spreken. Buitenlandse vrouwen, zegt ze, zijn wel degelijk slachtoffer, al was het alleen maar omdat ze niet weten wat prostitutie in Nederland inhoudt en er niet op zijn voorbereid dat “in Nederland per nacht tien tot twintig mannen over je heengaan”.

De Amsterdamse advocaat J. Pen, wiens kantoor regelmatig 'vrouwenhandelaren' verdedigt, tekent hier echter bij aan dat buitenlandse prostituees vaak wel in Nederland in de prostitutie willen blijven werken, “maar dan op een andere financiële basis”. De meerderheid van de Roemeense meisjes tekende ook eerder protest aan tegen het beheer van hun financiën, dan tegen het werk als zodanig. “In het weekeinde verdiende ik soms vijftienhonderd gulden”, zegt Laura. Omdat ze dat geld naar eigen zeggen moest afstaan aan Frank, eiste zij 80.000 gulden schadevergoeding van hem.

Omdat de verleiding groot is valse aangifte te doen, zo betoogde de advocaat van Frank, Gabriël Meijers, in zijn pleidooi, moet justitie ervoor zorgdragen dat de vrouwen zorgvuldig worden verhoord; “en niet zoals in deze zaak, dat één verbalisant een paar vrouwen ondervraagt”, aldus Meijers. De rechtbank van Amsterdam gaf Meijers gelijk en sprak Frank vorige maand vrij.