Vier omwentelingen in 25 jaar

Er is geen land aan te wijzen dat in een periode van vijfentwintig jaar zo vaak en zo radicaal overhoop is gehaald als Cambodja. Tot eind jaren zestig had het redelijk welvarende Cambodja, onder leiding van Sihanouk, min of meer een vrije-marktsysteem, dat hoofdzakelijk op de landbouw steunde.

Tussen 1970 en 1975 kende Cambodja een ultra-rechtse, pro-Amerikaanse junta, die het land met economische roofbouw en uitverkoop aan het buitenland volkomen uitputte. Dit ene uiterste werd gevolgd door het andere. De Rode Khmer, die in 1975 de macht met veel geweld overnam, voerde tot begin 1979 een ultra-links, maoïstisch regime.

In dit neanderthaals oercommunisme moest elke nog bestaande maatschappelijke en economische structuur vernietigd worden. De steden werden van de ene op de andere dag ontruimd, het geld afgeschaft (de nationale bank werd opgeblazen en het waardeloos geworden geld lag op straat), de infrastructuur moedwillig verwoest. Iedere burger die een zweempje van buitenlandse invloed (kennis van een vreemde taal) of van intellectueel vermogen (bezit van boeken, het dragen van een bril) vertoonde, werd om het leven gebracht. De Rode Khmer riep in zijn Democratisch Kampuchea het jaar nul uit. Deze Umwertung aller Werte, de meest extreme uit de moderne geschiedenis, was gedoemd te mislukken.

Na de Rode Khmer, die in januari 1979 door het Vietnamese leger naar een strook in het westen van het land werd verdreven, trad in Phnom Penh een pro-Vietnamees/pro-Russisch bewind aan, dat weliswaar niet de nihilistische ideeën van de Rode Khmer overnam, maar lange tijd vasthield aan een centraal geleide economie. Het land kreeg alleen steun uit Moskou.

Medio jaren tachtig kwam er ruimte voor privé-ondernemerschap en verdween het collectivisme geleidelijk naar de achtergrond, maar de staat bleef op alle sectoren van de economie zijn stempel drukken. De vredesoperatie van de Verenigde Naties, die eind 1991 begon betekende de vierde omwenteling in twintig jaar. In minder dan geen tijd veranderde de door de overheid gedirigeerde economie in een kapitalistisch vrij spel onder het motto 'ieder voor zich en niemand voor ons allen'. In die fase bevindt het land zich nog.