Onverwachte groei in Cambodja

Zondagmiddag met het hele gezin op de brommer naar de kermis. Of struinen langs de Mekong-boulevard, waar de stalletjes staan met snuisterijen, speelgoed en voedsel - keus genoeg: malse maïskolven, gefrituurde zangvogeltjes, gebakken sprinkhaan. En dan picknicken op de bankjes tegenover de Zilverpagode van koning Sihanouk.

Het leven is goed voor de inwoners van de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh, zo goed hebben ze het in jaren niet gehad.

De twee jaar durende vredesoperatie van de Verenigde Naties ('91-'93) zette Cambodja volledig op zijn kop. De 20.000 koopkrachtige VN-militairen en hulpverleners en duizenden andere losvaste bezoekers genereerden in die tijd een voor Cambodja ongekende economische activiteit. Niet alleen handige entrepreneurs in de horeca uit Thailand en Singapore profiteerden ervan, ook de gewone Cambodjaanse stedeling werd er beter van. Het algehele levenspeil in Phnom Penh kreeg een grote impuls.

Na de succesvol verlopen parlementsverkiezingen, in mei 1993, verliet de VN-schare het land. Menigeen vreesde dat Cambodja hierna spoedig in elkaar zou zakken. Politieke partijen zouden ruziemaken, de Rode Khmer zou weer aan de macht komen en de economie zou imploderen.

Die bange vermoedens zijn vooralsnog niet uitgekomen. De politieke situatie is door voortdurende tegenstellingen in de coalitieregering gespannen, maar economisch gezien gaat het wonderwel goed. Vorig jaar kon een tot nu toe ongekende groei van 7,6 procent worden genoteerd en voor de komende drie tot vijf jaar wordt eenzelfde percentage verwacht. De inflatie, die in 1991 nog 150 procent bedroeg, is scherp gedaald naar 3,5 procent. De nationale munteenheid, de riel, maakte geen vrije val, maar wist zich te stabiliseren. Daarbij moet worden aangetekend dat de dollar in veel dagelijkse transacties betaalmiddel nummer een is, zodat de convertibiliteit van de riel minder belangrijk is. En dankzij de nominale terugkeer van de democratie is Cambodja weer salonfähig geworden. Een groot aantal buitenlandse bedrijven, waaronder Heineken, waagde het vestigingen te openen in het koninkrijk van tien miljoen inwoners.

Het grote probleem voor Cambodja is de afhankelijkheid van het buitenland. Als vervolg op de VN-operatie toog een groot aantal internationale hulporganisaties, zowel gouvernementeel als niet-gouvernementeel, naar Phnom Penh. De groep hulpverleners zelf is door haar consumptiepatroon een belangrijke bron van inkomsten voor de middenstand. De groei in deze 'neo-kapitalistische anarchie' zoals de Franse econoom Joël Méran 's lands gesteldheid heeft omschreven, is daardoor grotendeels kunstmatig. Cambodja teert nog altijd op de aanwezigheid van buitenlanders en op forse financiële hulp.

Op het gebied van de financiële ondersteuning heeft Cambodja niets te klagen. Ook na de geldverslindende VN-missie (kosten drie miljard dollar) blijven donorlanden over de brug komen met forse bedragen. Op de bijeenkomst van donorlanden kreeg premier Ranariddh onlangs in Tokio toezeggingen voor 518 miljoen dollar aan giften en goedkope leningen voor dit jaar. Voor 1997 en 1998 zijn Cambodja nog hogere bedragen in het vooruitzicht gesteld: 540 miljoen en 640 miljoen dollar.

Cambodja is hiermee het land dat per hoofd van de bevolking de meeste hulp ter wereld ontvangt. Niet iedereen is even gelukkig met die ongebreidelde stroom dollars. Oppositieleider Sam Rainsy schaamt zich voor de Cambodjaanse status van 'internationale bedelaar' en meent dat er verkeerde accenten worden gelegd: “De internationale gemeenschap heeft een slecht geweten wat betreft Cambodja en daarom krijgen we zoveel geld, maar met geld alleen kun je je geweten niet afkopen. Men moet ons helpen hier het recht te laten zegevieren, echte democratie te bewerkstelligen, alleen dat zal ons op den duur zelfstandig maken. Het is niet een kwestie van kwantiteit maar kwaliteit. We moeten niet langer denken in miljoenen dollars, maar we moeten zoeken naar manieren om het geld veel effectiever te besteden. Met minder geld kunnen we misschien zelfs meer doen, als het maar efficiënt gebeurt.”

Buitenlandse hulpverleners onderschrijven de mening van Sam Rainsy. “De meeste organisaties doen maar wat, als er maar 'hulp' wordt gegeven, hoe het terecht komt is niet belangrijk”, zegt een Nederlandse ontwikkelingswerker. “Hoewel het Cambodja op het oog naar den vleze gaat, is de vraag of er werkelijk vooruitgang bestaat, de stad geeft een zeer vertekend beeld.” Ook Rainsy wijst op de tegenstelling tussen stad en platteland: “85 procent van onze bevolking bestaat uit boeren - hun levensstandaard is de afgelopen jaren niet of nauwelijks verbeterd.”

Het is niet moeilijk Rainsy's woorden te controleren. Even buiten Phnom Penh (een miljoen inwoners) en Battambang (100.000 inwoners), de enige twee steden van omvang, begint de armoede van het platteland. Hier zijn geen auto's, restaurants en bars. De wegen zijn veelal onverhard, de meeste dorpen hebben geen stromend water of elektriciteit. De inkomens zijn er maar een fractie van die in de stad.

Alleen daar waar economische belangen op het spel staan, is sprake van enige ontwikkeling. Zo is een weg aangelegd naar het noordoosten van het land, om de afvoer van hout te vergemakkelijken. Het isolement van deze regio is daardoor opgeheven. Cambodja wordt in hoog tempo ontbost. Menig vooraanstaand persoon, zelfs koning Sihanouk, heeft gewaarschuwd voor de grote gevolgen die ontbossing kan hebben, maar het lijkt aan dovemansoren gericht. De belangen zijn zo groot, de corruptie onder politici en ambtenaren zo wijdverspreid dat de houtkap in ijltempo voortgaat.

Twee lichtpuntjes gloren. De Verenigde Staten hebben zich het lot van Cambodja aangetrokken en zullen het land binnenkort de status van meest begunstigde handelsnatie (MFN) verlenen. Washington was tussen '79 en '91 de motor van de boycot tegen Phnom Penh, als reactie op de Vietnamese invasie en de pro-Vietnamese houding van de Cambodjaanse regering - kennelijk hebben ook de Amerikanen het idee iets te moeten goedmaken.

Een tweede opsteker voor Cambodja is de toelating tot de Associatie van Zuidoostaziatische landen (ASEAN) die volgend jaar zal plaatsvinden. Op haar jaarvergadering, accepteerde de uit zeven landen bestaande ASEAN in juli Cambodja en Laos als nieuwe leden in 1997. Hoewel de economische integratie binnen de ASEAN tot nu toe beperkt is gebleven, zal deze naar verwachting de komende jaren, wanneer alle landen in Zuidoost-Azië lid zijn, sterk toenemen.

Het blijft echter de vraag of Cambodja het, ondanks alle internationale inspanningen, zal redden. Is een bevolking die als een jojo tussen het ene en het andere uiterste op en neer is geslingerd nog in staat een constante te vinden?

Joël Méran vat in zijn recente boek Cambodge, La Reconstruction kernachtig de tragiek van Cambodja samen: “De oorlog, de afwezigheid van zoveel vaders, het beperkte onderwijs in de communistische tijd, de Cambodjaanse traditie met geld te spelen, dit alles heeft geleid tot een zekere broosheid in de arbeidsmoraal, vooral onder een deel van de jeugd, die zich soms meer bezighoudt met gemakzucht (...) dan met inspanning.”