Onderzoek naar allochtone bendes

DEN HAAG, 19 SEPT. De ministers Dijkstal (Binnenlandse Zaken) en Sorgdrager (Justitie) laten een onderzoek instellen naar de aard en omvang van allochtone criminele organisaties.

Een commissie onder leiding van de commissaris der koningin in Noord-Holland, J. van Kemenade, zal het onderzoek begeleiden. Het project Criminaliteit en Integratie van Etnische Minderheden (CRIEM) vloeit voort uit de eindrapportage van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden onder leiding van het Tweede-Kamerlid Van Traa. Ambtenaren van Justitie en Binnenlandse Zaken voeren het onderzoek uit.

Het project moet leiden tot een betere integratie, aldus minister Dijkstal. De ministers schrijven aan de Kamer dat zij de signalen die werden weergegeven door de criminoloog C. Fijnaut “ernstig” nemen. Fijnaut deed voor de commissie-Van Traa onderzoek naar de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Zijn collega F. Bovenkerk onderzocht speciaal de criminaliteit onder allochtone bevolkingsgroepen. Zowel Fijnaut als Bovenkerk zal, net als een groot aantal andere deskundigen, door de CRIEM-onderzoekers worden geraadpleegd.

Het project dat nu begint heeft tot doel de aard en de omvang van de criminaliteit onder mensen van Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse herkomst scherper in beeld te brengen. Verder wordt het huidige integratiebeleid getoetst. Minderhedenorganisaties zullen bij het onderzoek worden betrokken, schrijven de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.

Behalve voorzitter Van Kemenade bestaat de begeleidingscommissie uit L.Y. Goncalves-Ho Kang You, vice-voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling en procureur-generaal C. Ficq.

De criminoloog Bovenkerk veroorzaakte een jaar geleden commotie toen hij tijdens zijn verhoor voor de enquêtecommissie-Van Traa beweerde dat “enkele tientallen procenten” van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam betrokken zou zijn bij de georganiseerde criminaliteit. In zijn tweede verhoor gaf hij toe dat het wat “onhandig” was geweest om cijfers te noemen, maar hij hield vol dat zijn uitspraak niet ongegrond was geweest. Van Traa concludeerde in zijn eindrapport Inzake Opsporing: “Er valt nauwelijks een algemeen oordeel te geven over de buitenlandse criminele organisaties en de betrokkenheid van etnische gemeenschappen in Nederland bij de georganiseerde criminaliteit.”

Wel was volgens Van Traa “voldoende aangetoond dat sprake is van een ernstig probleem, vooral binnen de Surinaamse, Turkse en Marokkaanse gemeenschappen”.