'Kunstacademies bieden te veel van hetzelfde'

ROTTERDAM, 19 SEPT. Er zijn te veel academies voor beeldende kunst in Nederland die een te gelijkvormig beeldend kunstonderwijs bieden. Daarom moeten de veertien academies zich in één of meer richtingen duidelijker profileren en het onderwijs beter op elkaar afstemmen. Door zo'n toekomstige herordening kunnen ze 'een eigen gezicht' krijgen en een rijker geschakeerd aanbod aan opleidingen bieden.

Dat beweert de Visitatiecommissie beeldende kunst en vormgeving in haar gisteren in Amsterdam gepresenteerde rapport 'Differentiatie en profilering'. Deze onafhankelijke beoordelingscommissie onder voorzitterschap van W. Crouwel, bracht de afgelopen anderhalf jaar uitvoerige bezoeken aan de veertien kunstacademies, alsook de Reinwardt Academie, een opleiding voor museummedewerkers, en de Nederlandse Film en Televisie Academie.

De vereniging van hogescholen (HBO-Raad) is het met de conclusies van de visitatiecommissie eens. Ook zij ziet heil in kwaliteitsverbetering van het academie-onderwijs door in gemeenschappelijk overleg tot meer differentiatie en profilering te komen. Maar door de bezuinigingen op het kunstonderwijs kunnen diezelfde hogescholen er, volgens de vereniging, geen werk van maken. Omdat in het kader van de 200 miljoen gulden bezuinigingen op het totale onderwijs het kunstonderwijs 25 miljoen gulden moet gaan inleveren, wordt 'elke constructieve mogelijkheid tot verdere profilering door meer verscheidenheid en selectiviteit ondermijnd', aldus de HBO-raad. De commissie stelt voor om de 25 miljoen in een stimuleringsfonds voor nieuwe ontwikkelingen in het kunstvakonderwijs te storten.

De commissie heeft verder geconstateerd dat veel afgestudeerde autonome beeldende kunstenaars onder de maat presteren. Een strengere selectie bij toelating tot de academie en een rijk en verspreid keuzepakket zou zowel de onderwijskwaliteit als ook 'de verhoging van het ingangsniveau' ten goede komen, aldus het rapport. De commissie stelde gisteren voor de inschrijving landelijk te coördineren. Bovendien zouden studenten die zich aanmelden voor het beeldende kunst-onderwijs eerst een oriëntatiecursus moeten volgen, aldus de commissie.

“Het onderwijs is zo goed als de docenten”, stelde commissievoorzitter W. Crouwel. Volgens hem worden docenten op de huidige academies onvoldoende beoordeeld. Docenten op academies worden doorgaans op hun status als kunstenaar aangenomen. Op didactische kwaliteiten wordt weinig gelet, aldus Crouwel.

Op de arbeidsmarkt blijken overigens afgestudeerden in de richting 'toegepast', zoals industriële en grafische vormgeving, net zo snel aan een baan te komen als andere HBO-afgestudeerden. Hoewel voor de autonome beeldende kunstenaars 'de markt de facto geen criterium kan zijn' zou een betere beroepsvoorbereiding tijdens de opleidingen wenselijk zijn, aldus de commissie.

In het kader van de eerstegraads lerarenopleidingen in de kunstsector, 'in feite verkapte kunstopleidingen', vindt de commissie dat er vierjarige vakstudies moeten komen in één van de disciplines beeldende kunsten of vormgeving. Daarna moet er een apart jaar komen waarin de student pedagogisch-didactische vaardigheden leert en zijn onderwijsbevoegdheid verwerft.