Het spel en de kick

De kick van het spel is de beloning die het oplevert. Een speler heeft daarom anderen nodig, want het is de ander die hem de beloning kan geven. Bij de meeste spelen is de beloning de verkregen eer of roem. De amateursporter die wint, wordt door het volk bejubeld. Hij stijgt in aanzien, terwijl de verliezer slechts kan rekenen op een schouderklopje van zijn vrienden.

“Het is maar een spelletje”, zullen zij huichelen. De publieke afgang is hiermee weggehoond en de waarden zijn omgekeerd: de verliezers bekijken de euforische winnaars met meewarige blikken. Wie maakt zich druk om het winnen van een spelletje?

Maar natuurlijk is het niet slechts een spelletje, anders zouden de spelers nimmer de uitdaging zijn aangegaan. Men speelt om de roem, om het beter zijn dan de tegenstander die in het spel wordt verslagen. Spelen is dus altijd vergelijken - hetzij met een directe tegenstander, hetzij met een ander die een vergelijkbare krachtsinspanning moet leveren - en nooit een tijdverdrijf. De hengelaar die een grote vis vangt, kan tevreden zijn. Maar als zijn buurman een week later een nòg groter exemplaar vangt, zal hij niet rusten tot dit record gebroken is. De beloning bij het verslaan van de buurman is groter dan bij het vangen van de eerste grote vis.

De competitieve hengelaars zullen hun vangst nooit danken aan geluk of toeval. Ook al zitten ze op dezelfde stek en gebruiken zij hetzelfde aas, hun vangst is altijd te danken aan hun eigen kwaliteiten. Een beetje geluk is acceptabel, maar het is vooral het vakmanschap dat het publiek kan waarderen en daarom beroept een hengelaar zich dáárop.

Hoe moeilijk heeft de gokker het dan. Hij speelt niet tegen een ander en zal dus nooit bejubeld worden om de punten die hij op de fruitautomaat heeft gescoord. Omdat de winst slechts van het toeval afhankelijk is, zijn er geen gokcompetities. Zelfs de grootste onbenul zou daarin op de eerste plaats kunnen eindigen, en een goede speler wil alleen tegen zijns gelijken spelen. De te behalen eer van het competitiespel is voor de gokker onbereikbaar; hij moet op zoek naar een andere beloning: geld. In de automatenhal kan de eenzame flipperaar tevreden zijn met een hoge score, omdat deze in het geheugen van het apparaat wordt bewaard, zelfs met de initialen van de speler erbij vermeld. De gokker wordt deze mogelijkheid onthouden. Hij krijgt zijn anonieme roem vergoed in guldens.

Maar ook een gokker speelt ergens tegen. Hij tart het systeem, het lot, en in die zin is de gokkast of de roulettetafel een hogere tegenstander. Bij een loterij geldt dit niet. Wie een lot koopt, kan slechts pech of geluk hebben, omdat er geen enkele invloed op het spelverloop mogelijk is. Wie een lot koopt, noemt zichzelf dan ook geen gokker, maar een deelnemer. Gokken vereist behendigheid, gevoel, intelligentie zelfs.

De uitvinders van gokspelen hebben dit begrepen. Bij roulette zijn duizend-en-een inzetten mogelijk, en naast de tafels hangt een display waarop de laatst gevallen nummers zichtbaar zijn. Een fruitautomaat kent de mogelijkheid de inzet te verhogen of een gevallen symbool één ronde vast te houden. De manier van spelen bepaalt dus de kans op winst. Hoe beter de speler is, hoe rijker hij naar huis gaat. Je hebt beroepsgokkers en beginners - allen noeste arbeiders - maar de deelnemer aan een loterij is niets meer dan een meelijwekkende lafaard, omdat hij zich overgeeft aan het lot.

Natuurlijk: uiteindelijk verliest de gokker altijd. Hij meent het spel echter ooit te kunnen beheersen, het lot te kunnen verslaan. De echte gokker gelooft dat de wereld maakbaar is. En het lot speelt met zijn uitdagers door af en toe een prijsje weg te geven, zoals een spelende kat zijn prooi soms loslaat om meteen daarna weer toe te slaan. De onbereikbare, definitieve beloning is de ontsnapping uit de klauwen van het lot, als de muis die de kat te slim af is. Het systeem is gekraakt, de jackpot is gevallen. En hoe hoger deze is, hoe langer het lot knock-out is.