Estland: vierde poging om een president te kiezen

Een speciaal kiescollege gaat morgen voor de vierde keer proberen een nieuwe president van Estland te kiezen, nadat drie stemmingen in het parlement vorige maand zonder resultaat zijn gebleven. Inmiddels is het aantal kandidaten uitgebreid van twee naar vier. De kans dat het kiescollege slaagt waar het parlement faalde, is daarmee afgenomen.

Op 27 en 28 augustus kon de Riigikogu geen keus maken tussen de twee toen tegen elkaar uitkomende kandidaten, de zittende president Lennart Meri en zijn uitgader Arnold Rüütel, leider van de Boerenpartij, voorzitter van het parlement en vroeger leider van de communistische partij. Meri heeft zich de afgelopen jaren in binnen- en buitenland veel respect verschaft door de afgewogen en rationele wijze waarop hij het presidentschap gestalte gaf. Maar uitgerekend bij de Riigikogu heeft hij het in die jaren verbruid, door zich niet of nauwelijks in het parlement te vertonen en het bij herhaling streng tot de orde te roepen.

Tot drie keer toe onthield het wraaklustige parlement Meri in augustus dan ook de tweederde meerderheid die hij nodig had om te worden gekozen: bij de drie stemmingen kreeg de voormalige filmmaker 45, 49 en 52 parlementariërs achter zich. Hij had 68 stemmen nodig. Rüutel, de ex-communist die Estland naar de onafhankelijkheid leidde, kwam niet verder dan 34 stemmen.

Het kiescollege dat zich morgen moet uitspreken bestaat uit diezelfde 101 leden van de Riigikogu, aangevuld met 234 gemeentelijke afgevaardigden. De kansen van Rüutel worden wat hoger aangeslagen dan bij de stemmingen in het parlement, omdat hij als boerenzoon, leider van de Boerenpartij en pleitbezorger van een zeker economisch protectionisme voor de boeren populair is op het platteland, en bij die 234 gemeentelijke afgevaardigden. Maar of die populariteit groot genoeg is, is sterk de vraag.

Meri heeft in de tussentijd niet stilgezeten. Hij heeft zijn kansen vergroot door het parlement een betere samenwerking tijdens zijn tweede ambtstermijn te beloven. Bovendien is hij in een vraaggesprek met de Estse televisie eindelijk ingegaan op verwijten die hem al heel lang achtervolgen en waarop hij nooit heeft willen reageren: het verwijt in Sovjet-tijden met de KGB te hebben samengewerkt.

Velen gaan ervan uit dat een man die in Sovjet-tijden zo vaak en zo makkelijk als Meri naar het buitenland kon reizen, connecties met de KGB moest hebben. Zulke contacten zouden Meri als president goeddeels diskwalificeren. Bij wijze van verdediging las Meri tijdens het vraaggesprek de tekst voor van de eed die hij inmiddels twee keer heeft afgelegd, de eerste keer toen hij in 1992 als president werd beëdigd en de tweede keer toen hij zich kandidaat stelde voor de tweede ambtstermijn. In die eed staat dat hij “nooit in dienst heeft gestaan van de inlichtingendiensten van landen die Estland hebben bezet”.

De stemming van morgen is inmiddels gecompliceerd door twee nieuwe kandidaten die hopen van de impasse gebruik te kunnen maken door er als de spreekwoordelijke derde hond met het bot vandoor te gaan: Tunne Kelam, vice-voorzitter van het parlement en leider van de nationalistische Vaderland Unie, en Siiri Oviir, de vice-voorzitter van de eerder dit jaar gestichte Centrumpartij. Van die twee maakt Oviir weinig kans. Haar door ex-premier Edgar Savisaar geleide partij heeft juist een scheuring achter de rug.

Tunne Kelam, een veteraan uit de strijd om de onafhankelijkheid, is daarentegen al in een eerder stadium als kandidaat genoemd. Maar de partijen die hem wilden steunen kwamen er toen niet uit en Kelam trok zich terug. Nu probeert hij het alsnog: “In de democratie heb je een keus”, zei hij eerder deze week. En, doelend op Meri: “Uitlatingen als 'de enige' en 'onvervangbaar' zijn slecht voor de democratie.”

Tunne Kelam, historicus van huis uit en sinds 1992 vice-voorzitter van het parlement, heeft in elk geval papieren waarop weinig aan te merken is: hij was al lang voordat Estland uit de Sovjet-Unie stapte een dissident die weliswaar niet in de gevangenis verdween, maar wel twaalf jaar bij wijze van interne verbanning als nachtwaker op een kippenboerderij moest werken. In mei zei hij over die periode in een gesprek met deze krant: “Het was eigenlijk een heel goede tijd, want als nachtwaker kom je niemand tegen en die 100.000 kippen zeiden niets terug. Ik heb twaalf jaar lang heel veel kunnen nadenken.” Dat denkwerk leidde in 1988 tot de stichting van de eerste niet-communistische partij van Estland en in 1989 tot de stichting van een nationalistische massabeweging, het Ests Congres, een belangrijke motor achter de onafhankelijkheidsbeweging.

Bij de eerste stemming in het speciale kiescollege komen morgen alle vier de kandidaten uit. Als niemand een absolute meerderheid haalt, komen in de tweede de twee eerste kandidaten tegen elkaar uit. Als ook dat geen absolute meerderheid oplevert, kan het speciale kiescollege weer naar huis en moet het parlement weer gaan kiezen.