De zucht naar winst van de kooplieden van Manhattan

Aanstaande zaterdag krijgt Dennis J. Maika (45) de Hendricks Award 1996 voor zijn proefschrift 'Commerce and Community: Manhattan Merchants in the Seventeenth Century'. Maika laat daarin zien dat onze voorouders bezield waren door handel. “Opvallend is de altijd aanwezige fanatieke zucht naar winst.”

Dennis J. Maika: Commerce and Community: Manhattan Merchants in the Seventeenth Century. Proefschrift aan New York University, 1995.

Kent u de samenleving waar gevreesd wordt voor inflatie? Waar financiering plaats heeft door obligaties en risicodragend kapitaal? Waar handelsprotectie plaatsheeft en waar de rechtbanken meer op hun bord krijgen dan ze lief is?

Het is niet Nederland en ook niet de Verenigde Staten maar het is de wereld van Peter Stuyvesant. Letterlijk, want Stuyvesant was van 1646 tot 1664 directeur-generaal van de kolonie Nieuw Nederland op het grondgebied van de huidige Verenigde Staten. Dennis J. Maika weet er alles van. Hij schreef een proefschrift over de kooplieden van Manhattan, waarin hij ingaat op de inrichting van de kolonie, de machtsverhoudingen, de financiële aspecten ervan en het primaat van de handel.

Nieuw Nederland strekte zich uit van het huidige Delaware tot Connecticut en het centrum ervan was het huidige Manhattan. Volgens Maika was de Hollandse kolonie door en door commercieel en hield iedereen zich met handel bezig. “De plaatselijke overheid van die tijd bestaat door en voor de kooplieden”, zegt Maika. “Als de kooplieden iets wilden, zorgde de politiek dat het gebeurde. Voor hij een belangrijke beslissing nam, ging Peter Stuyvesant te rade bij zijn zevenkoppige adviesraad, die geheel uit burgers bestond.”

Volgens Maika was Nieuw Amsterdam, zoals het huidige New York aanvankelijk heette, daarmee een weerspiegeling van Amsterdam dat in de Gouden Eeuw het commerciële centrum van Europa was. Van de Engelse tijdgenoot Sir William Temple is de volgende uitspraak over de 17de-eeuwse Nederlanders: “Ze kopen ongelimiteerd, maar alleen om te verkopen, ofwel door het Produkt te verbeteren ofwel op een andere Markt.” Het waren volgens Temple wellicht “de meest directe en beste handelaren in de wereld”.

“Opvallend is de altijd aanwezige fanatieke zucht naar winst”, zegt Maika. “Iedereen was handelaar. Ik bewonder echter het ethische aspect van hun manier van handeldrijven. Met 'vertrouwde vrienden' wordt eerlijk handel gedreven.” In zijn proefschrift, waaraan hij zeven jaar werkte, laat Maika niet alleen zien hoe handel en politiek tot wederzijds voordeel samenwerkten en nauw verstrengeld waren, maar vooral ook hoe dat in de praktijk in zijn werk ging. Daarbij blijkt dat financiering van handel en persoonlijke contacten cruciaal waren voor de ontwikkeling van Nieuw Amsterdam tot wereldhandelscentrum.

“Maika heeft een nieuwe interpretatie geven van de oorsprong van handel en commercie in de Nieuw-Nederlandse kolonie”, zegt Charles Gehring, directeur van het New Netherland Project in Albany. “Het proefschrift laat zien dat de Nederlanders zeer fijnmazige handelsnetwerken opbouwden en ingewikkelde kredietsystemen gebruikten. Maika treedt op dit punt in meer details dan ooit is gedaan.” Gehrings New Netherland Project maakt deel uit van de New York State Library. Doel is om de archieven die in het bezit zijn van de staat New York te ordenen en te vertalen om kennis over het vroege Amerika te vergaren en onderzoek mogelijk te maken. Gehring zelf is de autoriteit waar het gaat om de activiteiten in de 17de-eeuwse Noordamerikaanse kolonie. De prijs die Maika voor zijn proefschrift ontvangt, de Hendricks Award, wordt toegekend door het New Netherland Project.

Dennis Maika, in het dagelijks leven leraar geschiedenis en psychologie aan de Fox Lane High School in Bedford, schetst in vogelvlucht de vroegste geschiedenis van Nieuw Amsterdam na de claim van het gebied voor de Nederlanden door ontdekker Henry Hudson. Hudson voer in 1609 de rivier op die later zijn naam kreeg en verklaarde het bezit voor zijn opdrachtgevers, de Nederlandse VOC. In 1614 werd door een groep kooplieden de Nieuw Nederland Compagnie opgericht en in 1623 de West Indische Compagnie, die twee jaar later aan het werk ging. Het was de WIC die tot 1639 alle handel reguleerde. Daarna werd de handel in bevervellen vrijgegeven en 'particuliere koopluyden' haastten zich om ook een graantje mee te pikken.

“De mensen werkten in de wildernis”, zegt Maika. “De oceaan was iets gevaarlijks, maar aan de andere kant vonden ze ook weer wildernis. Ze waren praktisch. Ze gingen uit van wat ze kenden en pasten het aan. Het was groei van commercieel kapitalisme in zijn puurste vorm, maar niet in afzondering.” Maika's verhaal over kooplieden begint aan het eind van de jaren veertig van de zeventiende eeuw, als de Manhattanse handelaren willen dat Nieuw Amsterdam een eigen bestuur krijgt. Elf van hen sturen een petitie in en na enkele jaren krijgt Nieuw Amsterdam een eigen bestuurslichaam, eigen rechtspraak en regelmatige zittingen van de bestuurders. Plaats van samenkomst is automatisch de voormalige dorpskroeg, die daarna automatisch stadhuis wordt. Vanaf 1653 is Nieuw Amsterdam ook de centrale haven voor de gehele kolonie Nieuw Nederland, waar invoerrechten worden voldaan en waar de in- en uitvoer van goederen wordt geregistreerd.

Nieuw Nederland had tijd nodig om op gang te komen en kwam pas echt tot bloei in de laatste fase voor de overname door de Engelsen in 1664. Met kapitaal uit Amsterdam gaan de kooplieden in Nieuw Amsterdam aan de slag. De belangrijkste exportprodukten zijn bevervellen uit het noorden en tabak uit het Chesapeake-gebied. Sinds ongeveer 1620 is tabak populair als genotmiddel in Amsterdam en elders in de Nederlanden en in Europa. Omstreeks 1660 heerst er zo'n tabaksrage dat de vraag niet bij te benen is. Van de bevervellen worden veelal hoeden gemaakt en ook gaan ze bij tienduizenden naar Rusland, waar ze als voeringen van jassen en mantels dienen.

De gedachte dat toenmalige kolonisten goederen ruilden en op die manier handel dreven is achterhaald. De 17de-eeuwse kooplieden werkten met waardepapieren die als geldmiddelen fungeerden en met een kredietsysteem dat het mogelijk maakte voor handelaar A om handelaar B te betalen met een schuldbekentenis van handelaar C, zolang het allemaal maar zwart op wit werd vastgelegd. De betaaleenheid was Carolus guldens of Hollandse guldens. Munten waren er echter nauwelijks, het ging bijna altijd in de vorm van papieren schuldbekentenissen. Voor het kopen van beverhuiden wordt 'wampum' of 'seewant' gebruikt, geslepen schelpen aan een koord, die als geld worden gebruikt. Om aan die handel mee te kunnen doen zijn er vrije handelaren, destijds 'schotsen' geheten, die losse seewant verzamelden. “De zogeheten schotsen kochten losse seewant op onder de prijs, wat het gebruik van de schelpen als betaalmiddel aantastte”, zegt Maika. Het gevolg hiervan was dat de gevestigde handelaren het seewant niet meer vertrouwden en het vaak als betaalmiddel weigerden. De seewantinflatie die daardoor vanaf 1655 optrad en het wantrouwen tegen de 'vrije jongens' zorgde ervoor dat er handelsbeperkingen optraden. Welkom in de zeventiende eeuw! Uiteindelijk is het gevolg dat, ter bescherming van de eigen handel, in Nieuw Amsterdam een burgerregistratie volgt. Alleen gevestigde burgers met 'huis en haard' in de kolonie hebben vanaf 1658 volledige rechten.

Ook als de kooplieden van Manhattan de zaken in eigen hand hebben, gaan ze zorgvuldig te werk. Ze documenteren alle transacties en alle schuldovereenkomsten staan op papier. “Iedereen moet destijds met ontzaglijke hoeveelheden papier hebben rondgelopen”, zegt Maika. “Daar is weinig meer van over, maar het waren uitgebreide transacties. Als je op een oud schilderij gebonden werken in de kast ziet staan, kun je er op rekenen dat het kasboeken zijn.” Brieven, waarvan men kopieën hield, werden soms driemaal gekopieerd en langs verschillende routes met mensen meegegeven. “Iedereen bleek er goed van op de hoogte waar dingen te krijgen waren, waar er handel te halen was en waar je het kon verkopen. En alles werd te boek gesteld. Het was bij de wet verplicht je fatsoenlijk te gedragen en een goede boekhouding bij te houden”, zegt Maika. “De produkten die je leverde moesten van goede kwaliteit zijn, je moest de voorgeschreven vergoedingen voldoen en je moest de plaatselijke overheden erkennen. Na overtredingen, die meestal gaan over schulden, kwamen mensen onherroepelijk voor het gerecht.” Maika stelt echter dat dat mensen geen stigma gaf, zoals tegenwoordig, maar dat rechtszaken werden gezien als onderdeel van het handelsproces.

Hoe verliep de handel? In de praktijk van toen begon een koopman in Holland altijd met het sluiten van een contract met een schipper, die soms ook de eigenaar van een schip was. De koopman huurde hem voor de duur van een zeereis en stuurde meestal een vertegenwoordiger mee. Soms duurde een dergelijke reis wel een jaar, zodat de koopman probeerde financiering te vinden via zogeheten 'bodemerijbrieven'. Dat waren een soort obligaties met een hoog rendement. Meestal kreeg de kapitaalverschaffer twintig procent terug, maar in tijden van oorlog met Engeland kon het zelfs tot bijna veertig procent oplopen. Dit betrof dan alleen de handel op Nieuw Nederland, die als zeer riskant werd gezien. Sommige kooplui verkochten weer een deel van hun lading aan reizigers die naar Nieuw Nederland gingen voor een bodemerijbrief. De reiziger had dan de gelegenheid zijn op krediet gekochte goederen met winst te verkopen en daarvan de koopman terug te betalen. In de praktijk bleek het soms lastig om het geld terug te krijgen, zodat de koopman iemand die naar Nieuw Nederland ging machtigde via een notaris om het geld te innen. Als iemand intussen kwam te overlijden was er weer een andere moeilijkheid. Maika schrijft dat schuldeisers konden proberen bij de weduwe verhaal te halen. Toen Pieter Anthony stierf voordat hij zijn schuld had voldaan, ging zijn weduwe Marritje Jans “tijdens de begrafenis voor de kist uitlopen, ten teken van haar weigering om de verplichtingen van haar echtgenoot na te komen”, schrijft Maika.

Persoonlijke contacten - familie of “vertrouwde vrienden” - waren daarom uiterst belangrijk. Kooplieden stuurden hun naaste medewerkers, zonen of schoonzonen uit om de zaken te behartigen. Jongemannen probeerden terwille van hun loopbaan om met dochters van kooplieden te trouwen. Koopman Govert Loockermans trouwde met Ariaentje Jans om Amsterdamse connecties te krijgen. Jacob van Couwenhoven trouwde met haar zusje, Hester Jans. Anneken Loockermans, het zusje van Govert, huwde weer met Oloff Stevenson van Cortlandt waardoor drie belangrijke kooplieden op Manhattan familie van elkaar werden. Voeg daarbij de goede contacten met Amsterdam en er ligt een basis voor het drijven van handel.

In de nasleep van de Tweede Engelse oorlog ging Nieuw Nederland in 1664 over in Engelse handen. De kooplieden ter plekke zagen dit volgens de archieven maanden van tevoren aankomen en hadden kennelijk de verzekering gekregen dat ze hun handel konden voortzetten en ook dat de kapitaalstroom tussen Amsterdam en New York zou blijven. “Er bestaan geen bewijzen dat de kooplieden beter zouden worden van een Engels bewind, maar kennelijk hadden ze wel de nodige garanties”, zegt Maika. Toen dus een gewapend conflict dreigde, adviseerden de Nieuw-Amsterdamse kooplieden aan Stuyvesant om zich niet te verzetten. Niet alleen zagen ze zich kansloos tegen de Engelse overmacht, maar ze vonden handelsbelang belangrijker dan nationaal gevoel.

En aldus geschiedde: Nieuw Nederland ging in 1664 zonder slag of stoot naar de Engelsen en in ruil kregen de Nederlanden grondgebied in Zuid-Amerika, het huidige Suriname.