De slachting der schapen

Wie kan om zeven uur opstaan, vijf uur achter elkaar epen en tragedies lezen, twee uur gymnastieken en vervolgens thuis de gelezen epen en tragedies repeteren, vaak tot diep in de nacht? Al mijn klasgenoten kunnen dat. Ze moeten wel. Maar wie kan ondertussen nog genieten van wat er gelezen wordt?

Het hoogste streven van de gymnasia lijkt tegenwoordig een zo groot mogelijk aantal leerlingen per cluster, een zo laag mogelijk aantal van deze clusters en voor de rest zoeken de leerlingen het maar uit. Oh ja, en ze moeten natuurlijk wel komen. Anders worden ze flink aan de tand gevoeld: wát, niet op een extra wiskunde-A-uur gekomen? En waarom dan niet? Een vooropleiding conservatorium? Hoor eens, het is kiezen of delen, hoor. Die roosters zijn er niet voor niets.

Een van de intrigerendste verhalen uit de Griekse mythologie is dat van de grote Ajax. Uit een kinderboek wist ik dat, nadat Achilles was gedood, zijn wapens werden toegewezen aan de dapperste Griek: Ajax en Odysseus strijden om de eer. Door listigheid en bedrog weet Odysseus de wapens te winnen; Ajax kan de nederlaag niet aan en wordt gek van woede. In zijn waanzin ziet hij een kudde schapen en koeien aan voor de Grieken en begint er met zijn zwaard op in te hakken; een bloederige slachting is het gevolg. De ram die hij aanziet voor Odysseus neemt hij mee naar zijn tent, scheldend en vloekend bindt hij het arme beest vast en geselt het de hele nacht. De volgende dag realiseert hij zich wat hij heeft gedaan. De schande is te erg, als een ware Griek heeft hij geen andere keus dan zelfmoord te plegen en hij stort zich in zijn zwaard.

Als kind vond ik de slachting onder de onschuldige schapen het verschrikkelijkst, nu gaat mijn hart vooral uit naar de vernederde Ajax. Sophocles, die hem tot onderwerp van een toneelstuk heeft gemaakt, valt onder mijn eindexamen Grieks en als voorbereiding lezen we een van de mooiste passages uit de Ajax: de held die afscheid neemt van zijn zoontje. Prachtig, schitterend, ontroerend, meeslepend en diep-tragisch.

Zegt de leraar. Want ik kan de regel niet vinden; ik vraag het aan het meisje naast me en ze begint zenuwachtig te lachen. Ook ik kan mijn lachen niet meer houden, mijn boek valt, mijn hand wil niet meer schrijven, de letters draaien voor mijn ogen en van alle uitleg en tekstcommentaar hoor ik niets. Ik kan alleen nog maar dom lachen, en ik ben niet de enige. “Geniet de milde lucht, kind”, zegt Ajax tegen zijn zoon, “stoei met dartel, jong gemoed, tot vreugde van uw moeder.”

Achterin wordt met jong gemoed gestoeid. “Waar zijn we, waar zijn we?” klinkt het om de minuut. “Herhaal die zin nog even. Wie zegt dit nou?” Ach, wat slecht gaat het met Ajax. De Grieken zullen zijn zoon wel beschermen, denkt hij. Naïeve stumper. Maar zijn tragisch lot heeft voor mij niet meer betekenis dan dat van de voetbalclub. “De vrouwen zijn al te zeer klaagzuchtig”, roept hij, “deur toe!” De enige reactie is een verlangend kijken naar de deur, en de zoveelste keer: “waar zijn we?”

“Goed, we nemen even pauze.” Struikelend en nog steeds lachend vind ik mijn weg naar buiten. De mooiste passage, het mooiste verhaal, de mooiste dichter en ik kan niet eens normaal naar de tekst kijken, laat staan me concentreren. Vergilius dreunt nog in mijn hoofd van de vorige uren, en zelfs die uren waren al te lang om Vergilius te kunnen waarderen. Ik lach wel, maar ik zou kunnen janken. Terwijl ik buiten sta, veranderen de geparkeerde fietsen langzaam maar zeker in tientallen schapen. Heerlijk om die allemaal te doorboren met een koel, ijzeren zwaard. En daarna, wie volgt?

Maar we moeten weer naar boven. Nog maar honderd minuten.

Natuurlijk kan ik de tekst later rustig nalezen. Maar wat doe ik dan op school? Waarom twee keer per week drie uur achter elkaar Latijn in plaats van vier keer wat korter? Welke cultuurhater, welke taalbarbaar verzint zulke roosters?

Nee, het rooster is heilig, zeggen de leraren. We kunnen er niets aan doen, jullie moeten maar wat extra concentratie opbrengen in het eindexamenjaar. Maar zo rond het achtste uur zijn de clusters Grieks en Latijn angstwekkend leeg. Zijn scholieren niet meer geïnteresseerd in klassieke talen?

Laten we vooral zorgen, als categoriale gymnasia, dat de oude talen in stand worden gehouden. Laten we vooral zorgen dat we de leerlingen zoveel mogelijk taal en cultuur bijbrengen. Laten we ons vaandel hooghouden en onze poot stijf: twaalf uur per week is een prachtig streven. Dan kunnen we in ieder geval zéggen dat we in de klassieken onderwijzen. Op Spartaanse wijze, en dat betekent dus: geen geblaat.