Als lezen pijn doet

In haar column van 7 september toont Rita Kohnstamm, aanhakend bij de titel van een boek van Diekstra (Als leven pijn doet), aan hoe pijnlijk lezen kan zijn. Met de strekking van haar betoog stem ik van harte in, maar haar verwijzing naar oud zeer behoeft enige aanvulling.

Zij lijdt nog steeds onder de pijn van een acht jaar oude affaire waarin een andere voor het grote publiek schrijvende psycholoog, prof. Piet Vroon, geïnsinueerd schijnt te hebben dat, wat plagiaat betreft, Kohnstamm ook niet geheel zuiver op de graat is. Dat had Vroon niet mogen doen en hij verdient het om daarvoor, wel wat laat, een reprimande van Kohnstamm te krijgen.

De reprimande gaat vergezeld van de opmerking: De zeldzame keer dat hij (Vroon dus) wel een bron noemde was, toen hij ter verdediging, een uitspraak van Lou de Palingboer citeerde: 'Wetenschap is het vreten van de hersens van een ander'.

Behalve 'lezen' kan ook onvolledig geciteerd worden pijn doen, maar Vroon heeft een dikke huid en zal er wel niet wakker van liggen.

Het voorval waar Kohnstamm naar verwijst is echter curieus genoeg om het aan de vergetelheid te onttrekken. In het Nederlandse Tijdschrift voor Psychologie 43 (1988) p. 159-167 schreven medewerkers van de RU in Limburg een artikel waarin zij de theorie naar voren brengen volgens welke boulima nervosa veroorzaakt zou worden door een tekort aan serotonine in de hersenen. Door middel van een koolhydraatrijke eetbui verschaft de patiënt zich zelfmedicatie, want daardoor kan zich meer tryptofaan naar de hersenen verplaatsen dat daar wordt omgezet in serotonine (het enige later voor deze ziekte geregistreerde geneesmiddel, fluoxetine, lijkt deze theorie te bevestigen).

Enkele maanden na het verschijnen van dit artikel wijdde Vroon in zijn wekelijkse column 'Signalement' in de Volkskrant aandacht aan deze theorie zonder naar de Limburgse auteurs te verwijzen. Dit leidde enkele dagen later tot een woedende ingezonden brief in de Volkskrant van de hand van de eerste auteur, (de door Kohnstamm genoemde jonge psychologe uit Maastricht) waarin zij Vroon voor de voeten werpt dat hij haar idee heeft gegapt zonder haar naam te vermelden.

In zijn volgende column riposteerde Vroon met het door Kohnstamm aangehaalde citaat van Lou de Palingboer en de opmerking dat zijn bron niet de jonge psychologe Anita Jansen was, maar het echtpaar Wurfman uit de VS, autoriteiten met een wereldnaam op het gebied van de invloed van voeding op de hersenen, die de theorie al eerder hadden gebracht. Men kan niet het alleenrecht krijgen op een idee of theorie en voor verontwaardiging is al helemaal geen plaats als men niet de eerste is die een theorie verkondigt.

Psychologen weten op deze manier wel op vermakelijke wijze de aandacht van de buitenwereld op zichzelf te vestigen. Tot slot wil ook ik, ter bemoediging van de geplagieerden, Lou de Palingboer citeren (hetgeen betekent dat ik het niet zelf verzonnen heb, maar dat ik niet meer weet waar ik het gelezen heb): “Nothing is more flattering than being copied”.