Als de EMU doorgaat splijt de Europese Unie

Het proces van Europese eenwording moet een natuurlijk verloop hebben, anders kunnen de burgers het niet bijhouden. Dat zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Malcolm Rifkind, gisteren in een toespraak in Zürich, ter herdenking van de rede die de Britse premier Winston Churchill daar vijftig jaar geleden uitsprak. Enkele gedeelten uit Rifkinds toespraak.

Vijftig jaar geleden kwam Churchill naar Zürich om te spreken over de tragedie van Europa. Vandaag wil ik spreken over Europa's herstel, het proces van de afgelopen vijftig jaar en de angstwekkende nieuwe uitdagingen die ons te wachten staan.

In 1946, mijn geboortejaar, verkeerde Europa in uiterst beklagenswaardige omstandigheden. De naties waren verscheurd. [...] De toespraak van Churchill was een wanhopig beroep op de Europese leiders om de vergissingen van een eerdere naoorlogse generatie te vermijden, die onopzettelijk het zaad van het toekomstige conflict hadden gezaaid.

1996 is een tijd van vreugde, niet van wanhoop. De volkeren van Europa hebben grotendeels het geluk en de welvaart waarover Churchill sprak hervonden. Velen van ons leven weer, zoals hij toen hoopte, in vrede, in veiligheid en in vrijheid.

Maar Europa is zijn trauma's nog niet helemaal kwijt. In de jaren negentig hebben we, dansend om de vlammen van het ineenstortend Joegoslavië, de weerzinwekkende beelden gezien die Churchill zag schemeren. Toch lijkt zelfs in Bosnië de vrede nu stand te houden. De verkiezingen die zijn gehouden waren een volgende stap in een langzaam proces van herstel. [...]

We schiepen géén Verenigde Staten van Europa. We construeerden een grotere variëteit aan structuren: de West-Europese Unie en de NAVO, de Europese Gemeenschap, de Raad van Europa, de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Deze organen waren de bolwerken van onze vrijheid en onze levenswijze. [...]

We volgden niet precies Churchills oproep voor een Verenigde Staten van Europa. Ook is het niet zo dat Churchill verwachtte of wenste dat Groot-Brittannië deel zou uitmaken van zulke verenigde staten, als ze zouden worden gevormd. In de laatste alinea van zijn Zürichse rede omschreef hij Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie als “de vrienden en steunverleners van het nieuwe Europa”, een rol die aanzienlijk verschilde van hetgeen door Frankrijk en Duitsland was voorgesteld. [...]

Groot-Brittannië heeft een hoogstaande visie op de toekomst van Europa, die ik vandaag uiteen wil zetten. Het is een positieve visie tot versterking van Europa en tot heil van zijn bewoners. Het is gebaseerd op dit principe: zoals Churchills idee zich ontwikkelde op basis van de omstandigheden waarin hij leefde, zo moeten wij bereid zijn onze visie op Europa aan te passen aan de ontwikkelingen zoals die zich sinds 1946 hebben voorgedaan.

Daarbij moeten we rekening houden met drie fundamentele veranderingen. De eerste is het succes dat Europa heeft beleefd de afgelopen vijftig jaar. We hebben het beloofde land nog niet bereikt. Maar we zijn niet langer op zoek naar, zoals Churchill, een nieuwe heilige graal.

In de tweede plaats is de transatlantische alliantie permanent gebleken. [...] Het was na het einde van de Koude Oorlog mode om te speculeren over de desintegratie van de NAVO. Maar het omgekeerde is gebeurd. [...]

In de derde plaats is de interdependentie van staten over de hele wereld exponentieel toegenomen. De taken die Churchill in 1946 voor zich zag waren Europese. De uitdagingen waar we nu voor staan zin wereldomspannend: het destructieve kwaad van het terrorisme onder controle brengen, de bedreigingen voor ons milieu binnen de perken te houden; onze welvaart te bevorderen in een concurrende wereldwijde economie. Noch Europa, noch de grotere Atlantische gemeenschap kan deze nieuwe uitdagingen op zijn eentje aan. [...]

In 1996 stelt de Europese Unie ons voor een paradox. Als motor van verzoening is zij een opmerkelijk succes gebleken. Zonder de Europese Unie of iets dergelijks zou Europa minder welvarend en minder veilig zijn geweest. De landen die ten oosten van ons liggen streven het lidmaatschap van de EU na als het sluitstuk van hun reis terug naar het hart van Europa. Toch leeft er de laatste jaren een gevoel van desillusie over de EU. Dat gevoel is het sterkst in Groot-Brittannië. [...]

Deze desillusie is meer dan een herleving van een eiland-mentaliteit of misleid nationalisme. Er is een dieperliggende reden. Het is een gevoel van vervreemding, een gevoel dat ze veraf blijven van de fundamentele veranderingen die om hen heen plaats vinden, een onzekerheid over waartoe de verandering zal leiden. [...]

Daar zit een les in voor de Europese leiders: we moeten niet sneller en verder op het pad van de integratie lopen dan onze volken bereid zijn te gaan. Degenen die die eis over het hoofd zien, komen in de val terecht dat zij Europa als een staat gaan zien. [...] Een politieke entiteit kan alleen organisch groeien, als een natuurlijke expressie van een gemeenschappelijke identiteit en gemeenschappelijke doeleinden. Je kunt die dingen niet van bovenaf opleggen, het tempo niet forceren, zonder dat je op tegenstand stuit. De geschiedenis zelf van Europa geeft te veel voorbeelden van de gevaren van het negeren van deze les.

Ik weet dat als Britse politici dit soort dingen zeggen we soms negatief gevonden worden. Ik betreur dat, omdat we dat niet zijn. Het gaat om een fundamenteel punt. [...].

Groot-Brittannië heeft een alternatieve visie op Europa. [...] Het is een visie die gebaseerd is op het voorzichtig kiezen van de stappen naar nauwere samenwerking, geen blinde sprong naar grotere integratie, wankelend op steunpunten die hachelijk of illusoir kunnen blijken te zijn. [...]

Laten we ons in de eerste plaats de bredere politieke doeleinden blijven herinneren en niet geobsedeerd worden door het interne institutionele gevecht. We willen allemaal proberen toekostige tragedies als Bosnië te voorkomen. Versterking van het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid zou daartoe een bijdrage kunnen geven. Maar gelooft werkelijk iemand dat er meer levens gespaard zouden zijn in Bosnië, of dat de vrede eerder gekomen was, als de Europese Unie met een gekwalificeerde meerderheid had gestemd?

Evenzo, als we de volken van Centraal en Oost-Europa willen helpen, laten we dan zo dapper zijn onze markten voor hun goederen open te stellen en niet steggelen over quota en tarieven. Als we miljoenen van onze burgers willen helpen een baan te vinden, laten we dan de concurrentie en de vrijhandel bevorderen en onze werkgevers niet dwingen zich te houden aan de dogmatische voorschriften van het Sociaal Handvest.

Laten we in de tweede plaats het concept van flexibiliteit weer doordenken. Voor mezelf ben ik ervan overtuigd dat nauwere samenwerking tussen groepen landen natuurlijk en verstandig is. Het bestaat al: bij de Europese defensie; bij het Schengenakkoord over de grenzen; in de waarschijnlijke vorm van een toekomstige muntunie. In een vergrote gemeenschap van twintig of vijfentwintig leden zal flexibiliteit onvermijdelijk zijn. Maar we moeten dit eerst wel goed rond krijgen, als we de cohesie van de Unie willen bewaren. We moeten de centrale afspraken, zoals een gemeenschappelijke interne markt en een externe handelspolitiek, overeind houden. En de flexibiliteit moet open zijn: we moeten niet een kleine elite van de vrijheid laten genieten terwijl we de deur voor anderen dichthouden. Flexibele regelingen moeten niet tegen de zin van sommige staten doorgedrukt worden. [...]

Als de monetaire unie doorgaat, zal de Europese Unie, los van de beslissing van het Verenigd Koninkrijk om al dan niet aan de muntunie mee te doen, voor de nabije toekomst verdeeld worden in twee groepen. Ongeveer de helft van de huidige leden en bijna alle twaalf aspirant-leden zullen nog veel jaren niet in staat zijn te voldoen aan de convergentie-criteria. Zo'n verdeelde Europese Unie is niet wat de oprichters voor ogen hadden. [...]