Opinie

    • Maxim Februari

Radicaal uit je eigen leven vertrekken

Opeens was ik vrij. Tot mijn grote verbazing, want ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst vakantie had gehad, zonder de last van de wereld op mijn schouders en zonder acute taken en verplichtingen. Op reis in een rotsachtig land, in een gehuurde auto, onthecht van al die mondaine dingen die me dagelijks bezig houden.

Aan zee leende iemand me een handdoek en daar lag ik. Als een verdwaald dier, een beklagenswaardige kwal, aangespoeld tussen verzamelingen glasscherven en plastic colaflessen, oude tuinstoelen, flarden van overboord geslagen visnetten. Ik haalde een roman tevoorschijn. Ook zoiets waar ik zelden meer toe kom, een roman, zonder er meteen iets van te moeten vinden. Hij heette Donker woud, en de titel verwees naar Dante.

In de proloog van de Divina Commedia bevindt Dante zich in het donkere woud van de midlifecrisis. Daar wordt hij opgejaagd door drie van zijn eigen zonden: hoogmoed, hebzucht en lust. Zie dat bos dan maar eens weer uit te komen, op weg naar het licht; de arme Dante moet ervoor dwars door de hel.

De twee hoofdpersonages in de roman Forest Dark van Nicole Krauss dwalen al net zo desperaat door een zwart woud; ze besluiten elk radicaal uit hun gangbare leven te vertrekken, in de hoop ergens verderop licht te vinden. En voor mijzelf was de situatie zo mogelijk nog urgenter, want ik had maar twee weken. Ik moest de genade in allerijl zien te bereiken, om hier op tijd weer terug te zijn op mijn post.

De romanpersonages van Krauss ontvluchten niet letterlijk een crisis: het is een geslaagd leven dat ze achter zich laten. In zekere zin laten ze het hele concept van ‘slagen’ achter zich. De ik-persoon is een succesvol schrijfster die gaandeweg het vertrouwen heeft verloren in haar eigen heldere verteltechnieken. Vorm geven aan wat in wezen vormeloos is, proberen met je intellect macht uit te oefenen over het bestaan: het is alsof je de wil van een dier breekt, denkt ze, omdat het ongetemde beest anders te gevaarlijk is om mee te leven.

Zelf bereik ik dit crisispunt op latere leeftijd dan Dante en de schrijver Krauss; ik ben geen vijfendertig meer. Na jaren van rouw en vermoeidheid lig ik op het strand van de Middellandse Zee en ik overdenk mijn zonden. Niet hoogmoed en hebzucht, maar distantie en snelle prikkelbaarheid. Ik verzin er meteen een excuus bij, want iedereen die de grond onder de voeten is kwijt geraakt bezondigt zich aan snelle prikkelbaarheid. Zodra het contact met de buitenwereld is verbroken, door kennismaking met dood en verlies, is er meer voor nodig dan een intellectuele analyse om dat vriendschappelijke contact weer terug te winnen.

Zo, dus daar lig ik. Hetzelfde donkere woud, dezelfde Middellandse Zee, hetzelfde strand: ik lijk als twee druppels water op de personages van Krauss. Ik volg hun verhaal daarom met extra aandacht. Ik lees hoe ze weliswaar niet in God geloven, maar ook niet langer in de hoogmoedige religie van de ratio. „De praktijk van alles weten, en geloven dat kennis concreet is en altijd bereikt wordt via de vermogens van het intellect.” Ik lees hoe ze besluiten de dorre velden van de rede te verlaten voor „het onbekende terrein dat glinstert aan de uiterste rand van ons blikveld”.

Ik lees het, terwijl ik het tegelijkertijd voel. Dat je het beest van het bestaan, niet de rede, hoeft te temmen; dat je best twee tegenstrijdige gedachten tegelijk voor waar kunt houden. Ik lees dat God, die niet bestaat, tegelijk aanwezig en afwezig kan zijn in de wereld. Volgens de mysticus Jitschak Loeria, lees ik, heeft God zichzelf eerst moeten wegpoetsen om pas daarna de mens te kunnen maken. „Toen het in Gods wil opkwam om de wereld te scheppen, trok Hij zich eerst terug, en in de leemte die achterbleef schiep hij de wereld.”

Dit lees ik allemaal. De zee zindert in mijn ooghoek. Ik voel hoe mijn hoofd tegelijk voller en leger wordt, het groeit om plaats te bieden aan lacunes, gemis en tekort; mijn lichaam dient zich aan en wordt een strand vol plastic colaflessen. Ik verwijder mezelf en stroom vol met glinsterende scherven van het onbekende. Dit strand, dit boek, dit lichaam – dit hier moet de plaats zijn waar de duisternis oplicht. Ik wacht. Ik heb nog wel even tijd voordat ik terug moet naar het denken, terug naar de tekentafel, waar je alleen over God en de wereld mag praten als je ze kunt bewijzen. Nog even tijd voordat ik mijn hoofd weer kleiner en kleiner moet maken, en het net zolang moet laten krimpen tot er weer een opinie in past.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari