Tsjip de Zadentemmer

Een jong musje dat midden op de weg met de snavel in de veren zit. Links en rechts razen vrachtwagens voorbij. Het doet niets, steekt bij een vlaag opzijgeworpen rijwind hooguit de kop nog wat dieper weg.

Daar mankeert iets aan. Geen stadsmus is al zo aangepast dat hij de rijweg opzoekt voor een dutje. Geen ouders in de buurt, natuurlijk. Die hebben het al opgegeven. Toch als proef het dier na het oppakken nog even neergezet in het schaamgroen naast de wegverbreding. Niks, geen reactie, het wil er voorlopig niet zijn. Zelfs in een warm koepeltje van handpalmen blijft de kop weggestopt. Zwakjes grijpen dunne tenen een vinger vast. Maar dat is het enige teken van levenskracht.

In huis trekt het allemaal wat bij. De kop komt uit de veren en er wordt na een overijlde voedering alweer voorzichtig gehipt. Toch blijft er iets vreemds. Iets al te zelfgenoegzaams. De eerste diagnose is veel te ingewikkeld en zou autoriteiten op mussengebied bevreemden. Maar toch - is hier misschien sprake van een autistisch musje? Het verkiest zo nadrukkelijk de eigen wereld, zonder acht te slaan op die veel grotere.

Het blijkt simpeler. Een verdienstelijke tjilp-imitatie roept geen reactie van het dier op. Rakelings lang zijn kop fluiten of in de handen klappen haalt ook niets uit. Ook een onverwachts huizehoog gillende brommer doet hem niets. Deze beginnende mus is stokdoof.

Van de weeromstuit is hij ook wat zwijgzaam, met maar af en toe een onmachtig uitgestoten 'tsjiep'. Verder houdt hij het snaveltje met nog brede jonge-vogeltjes-rand grimmig toegeknepen. Al snel wil hij niet meer gevoerd worden, maar het allemaal zelf doen. Tsjip de Zadentemmer.

Een paar dagen gaat het goed. Maar dan geeft het linkeroog het op. Dit is een musje van niks. Het linkeroog is wat dieper weggezakt in de kas of geslonken. In ieder geval geeft het niets meer door. Maar het rechteroog kijkt nog kwiek de wereld in.

Dan blijkt de beperktheid van het mussenbrein. Tenminste, van dìt mussenbrein. Het rechteroog brengt de tactvol her en der uitgestrooide zaadjes in beeld. Dus vooruit - naar rechts gehipt in een vitale draai. De snavel is nu boven de zaadjes - maar het linkeroog stuurt niet bij. Een op goed geluk pikje levert niets op. Maar verder, rechts, is wel weer wat eetbaars te zien. Hup, naar rechts gedraaid.

Het creëren van een ruim bemeten voerplekje op de kooibodem levert niets op. Met gevoel voor te missen kansen weet Tsjip ook daarlangs te pikken. De enige oplossing lijkt nog een kooibreed voedseltapijt waarin alleen met de grootst mogelijke volharding misgepikt kan worden.

Die aanpak werkt, zonder een oplossing te zijn. Er komt nu ruimschoots voedsel binnen, maar er sluipt een zekere monomanie in dit mussenbestaan. Draaien op de plaats en pikken. En nog eens draaien. Doelgericht, maar met geestdodende regelmaat.

Een draaimolen van ontoereikend leven. Hip-pik, hip-pik klinkt het als een afgemeten tikkend metronoompje bij het aanbreken van de nieuwe dag. En tijdens het vorderen daarvan. En na een korte rustpauze en een in al zijn vrijblijvende willekeur ontroerende poetsbeurt voor de veren, tegen de middag. En daarna, met in de avond nog een lange toegift.

Een rechtsdraaiende mus - dat unieke bezit maakt niet blij. Er rest alleen maar toekijken. Je tijdrekening verandert eronder. Dat korte, maar vervelende telefoongesprek duurde zes rondjes. En nu zit je al weer elf rondjes naar buiten te staren. Ondertussen is onze verstandhouding, bij volledig ontbreken ervan, niet slecht.

Een rondgang naar steeds weer hetzelfde. Permanent. In een eigen, wellicht wat duizelige wereld waarin nooit eens iemand naar je roept en je niet eens je eigen iele piepje hoort. En wat te zien is, is maar half te begrijpen en vaak blijkt het ongrijpbaar.

Hadden die ouders toch gelijk. De etherdood was zacht.