Spiro Agnew 1918-1996; Welbespraakte reactionair

Op 77-jarige leeftijd is gisteren Spiro Agnew overleden, de vice-president van de Verenigde Staten die in 1973 gedwongen werd terug te treden na een belastingschandaal. Agnew had als bestuurder van de staat Maryland geen inkomstenbelasting betaald over provisies die hij had gekregen van bedrijven die opdrachten van de overheid kregen.

Het ging om een bedrag van ruim 13.000 dollar. In oktober 1973 besloot Agnew de aanklacht die tegen hem was ingediend niet aan te vechten, volgens veel journalisten om “zwaardere vergrijpen verborgen te houden”.

Agnew werd in 1968 verrassend de running-mate van Richard Nixon in de verkiezingecampagne voor het Amerikaanse presidentschap. Agnew was als gouverneur van Maryland bij de conservatieve Nixon in de smaak gevallen door zijn optreden. Bij rassenrellen in Baltimore in 1968, na de moord op Martin Luther King, had Agnew de leiders van de zwarte groeperingen in de stad bij zich geroepen en de les gelezen over hun “passieve houding” bij het straatgeweld. De woede over deze naar rascisme neigende bedilzucht was destijds groot in de VS, maar Nixon toonde zich onder de indruk. Ook Agnew was verrast dat Nixon hem koos.

Als vice-president werd Agnew bekend om zijn reactionaire uitlatingen. Journalisten waren volgens hem “negativisten” en “hopeloze hypochonders van van de geschiedenis”. Studenten die tegen de oorlog in Vietnam protesteerden hadden volgens hem “nog nooit iets productiefs verricht” en hun “taktieken afgekeken van Fidel Castro”. Over armoede in de VS zei hij dat deze was “overdreven”, arme wijken bezocht hij niet omdat ze allemaal op elkaar zouden lijken. “Als je er één hebt bezocht, dan ken je ze allemaal.” Ook vond hij dat de Amerikanen moesten terugkeren naar “onbeschaamd patriottisme”. Behalve veel negatieve reacties op deze uitlatingen kreeg Agnew ook lof. Geroemd werden zijn zelfvertrouwen, zijn krachtige optredens en zijn “welbespraaktheid”. Deze laatste kwalificatie werd zelfs door de meest kritische journalist gedeeld.

Na zijn aftreden beschuldigde Agnew 'zijn' president ervan de val te hebben geconstrueerd. Nixon, die vreesde voor de consequenties van het Watergate-schandaal dat in 1973 in omvang groeide, zou Agnew hebben “geofferd” om zichzelf te redden. In zijn boek Go Quietly, or else, schrijft Agnew dat hij met de dood bedreigd werd door stafleden van Nixon. Deze beschuldiging wekte de woede van oud-generaal Alexander Haig, die ervoor verantwoordelijk zou zijn geweest.