Palestijnen in absurde worsteling met de tijd

JERUZALEM, 18 AUG. Maandagochtend werd Sami door iemand van het Turkse consulaat in Oost-Jeruzalem uit zijn bed gebeld. “Het is acht uur Sami”, zei de man. “Ik sta voor je winkel om zoals altijd de kranten op te halen. Heb je je verslapen?” “Huh?' zei Sami met een blik op de wekker, “het is pas zeven uur!” En toen besefte hij dat het weer zover was: Israel was overgegaan op de wintertijd, en de Palestijnse autoriteiten nog niet.

Sami, een Palestijn in Oost-Jeruzalem, had zondag de klok een uur teruggezet. Op dat moment was heel Israel op de wintertijd overgegaan. Maar de Turk, die ook in Oost-Jeruzalem woont, had het decreet van PLO-leider Arafat opgevolgd. Van Arafat mag de Palestijnse klok pas morgen een uur terug. “Het is een kwestie van nationale trots”, zegt een medewerker van Orient House, de Palestijnse vertegenwoordiging ter plaatse. “Het is onze tijd, ons leven, ons land. Waarom zouden wij de klok terugzetten op het moment dat Israel het doet?”

Voor die redenatie kunnen veel Palestijnen, nationalistisch als ze zijn, sympathie opbrengen. Maar de misverstanden die eruit voortvloeien, beginnen hun danig de keel uit te hangen. Al tijdens de intifadah riep het zogeheten 'Verenigd Commando' de Palestijnen op om de Israelische tijdwisseling te negeren. De meesten hielden zich daaraan, wekenlang als het moest. Maar met de opstand lijkt nu ook de protestgeest van weleer vervlogen. Met name in Jeruzalem beginnen de Palestijnen genoeg te krijgen van de chaos van het simultaan-leven in twee tijdzones. In deze stad, waar de interactie tussen beide volken groter is dan in Gaza en sommige steden op de Westelijke Jordaanoever, en waar geen Palestijnse ministeries zijn die zich keurig aan Arafats voorschriften moeten houden, volgen steeds minder Palestijnen deze week de Palestijnse tijd. Maar omdat niet iedereen dat doet, en niemand precies weet wie, blijft dit een week vol absurde misverstanden.

Via faxen en krantenberichten hebben de Palestijnse Autoriteiten laten weten dat hun wintertijd pas morgen begint. Maar veel winkeliers in Salah el-Din Street, de hoofdstraat van Palestijns Oost-Jeruzalem, hebben de oekaze naast zich neergelegd. Het postkantoor, waar Palestijnen ook cheques innen, telefoneren en uitkeringen halen, is Israelisch en houdt Israelische tijden aan. “Ik krijg mijn levensmiddelen via de Israeliërs”, zegt een kruidenier. “Als ik ze een uur laat wachten, moet ik extra voorrijkosten betalen. Rijden ze weg, en dan heb ik een dag geen melk en yoghurt.” Zijn buurman, een tour operator, liet vorig jaar veertig Deense toeristen een El Al-vlucht missen die volgens de Israelische tijd vertrok. Ook hij gelooft niet meer in de soevereiniteit van de Palestijnse klok.

In Amerika doen drie staten niet aan zomer- of wintertijd. Frankrijk liet de EU laatst weten dat het niet meer elk half jaar de klok wil omzetten, omdat nergens uit blijkt dat dat echt energie bespaart. Maar wie Arizona of wellicht straks Frankrijk binnenrijdt, ziet vanaf de grens dat alle klokken gelijk staan. Wat mensen in Oost-Jeruzalem deze week tot wanhoop drijft, is dat dat nog steeds van huis tot huis verschilt.

Sinds de Oslo-akkoorden werken er bovendien meer buitenlandse diplomaten en ontwikkelingswerkers dan ooit in Oost-Jeruzalem. Omdat zij bij Arafat geaccrediteerd zijn, willen zij zich aan de Palestijnse richtlijnen houden. Daarom volgen de consulaten, de kantoren van de Europese Unie en veel non-gouvernementele organisaties, waar honderden Palestijnen werken, de Palestijnse tijd. Tot ieders verbazing en veler verwarring doen de twee grote VN-organisaties, UNRWA en UNDP, waar eveneens veel Palestijnen werken, dat als enige niet. Een secretaresse die normaal van acht tot twaalf in Oost-Jeruzalem werkt en van iets na twaalven tot vier op een Israelisch kantoor in West, komt nu een uur te kort. Ook het schoolbussensysteem loopt in het honderd. Gemeentescholen houden de Israelische tijd aan. Maar sommige particuliere scholen in Oost-Jeruzalem opereren volgens de Palestijnse klok.

Dat ondervond Sami maandagochtend aan den lijve, nadat hij in zijn pyjama de Turk alsnog zijn kranten had gebracht. Eerst leverde hij Intissar van zes af bij de meisjesschool. Daar was het, zoals altijd om tien voor acht, een drukte van belang. Die school had de klok teruggezet. Toen reed Sami met Labib van acht naar de jongensschool. Het schoolplein was verlaten. Uit de open ramen van het gebouw hoorde hij kinderstemmen lesjes opdreunen. Deze school had de klok niet teruggezet, en was al een uur bezig. “Als dit Palestijnse onafhankelijkheid is”, zucht Sami, “weet ik niet meer of ik het nog zo praktisch vind.”

Een van de weinigen die dezer dagen van de nood een deugd weten te maken, is een oude fruithandelaar in Zahra Street. Op de klok in zijn winkel is het elf uur. Israelische tijd. Zijn horloge staat op twaalf uur. Palestijnse tijd. Grinnikend zegt hij: “Ik open 's ochtends als de klok tien uur aanwijst. En ik ga naar huis als mijn horloge zegt dat het vier uur is. Zo heb ik elke dag mooi een uur gewonnen voor een middagslaapje.”

    • Caroline de Gruyter