Laat de universiteiten het toch zelf uitzoeken

De hoofddoelstelling van de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB), waarover de Tweede Kamer binnenkort beslist, is te komen tot een aanmerkelijke kwaliteitsimpuls van de primaire processen onderwijs en onderzoek. Het middel dat zij daartoe noodzakelijk acht is het versterken van de bestuurskracht. Vervolgens wordt integraal management, de integratie van bestuur en beheer, gekozen als middel voor deze versterking.

Integraal management vereist volgens de minister eenduidige verantwoordelijkheid van de bestuurder en valt daarom niet te verenigen met democratische processen van medebeleidsbepaling of medebestuur. In de universiteiten van de toekomst is er dus volgens deze meertraps-redenering geen plaats voor democratie in het bestuur. Als doekje voor het bloeden wordt medezeggenschap aangereikt, zoals geregeld in de Wet op de Ondernemingsraden.

In 1970 was democratisering van de universiteit juist de hoofddoelstelling van de wetgever. Niet omwille van de effectiviteit of efficiëntie, maar omdat toen de overtuiging bestond dat een 'doelgemeenschap' zoals de universiteit en de gemeente, in principe democratisch bestuurd hoort te worden.

Wat is er veranderd in onze opvattingen over democratie? Wat is er veranderd in de universiteit en haar omgeving dat de belangrijkste doelstelling vóór de toenmalige bestuurlijke omwenteling nu wordt gepresenteerd als een onaanvaardbare component van een veranderde bestuursorganisatie?

Op deze vragen geeft noch de wet, noch de memorie van toelichting, noch de Kamerdiscussie antwoord. De minister motiveert de noodzaak tot veranderen met de taakverzwaring die de universiteiten te wachten staat. Hij kan namelijk niet aantonen dat de huidige bestuursorganisatie slecht functioneert, want daar is geen onderzoek naar gedaan en zijn ook geen indicatoren voor beschikbaar. Hij lijkt zich te beroepen op het ongenoegen dat sommige professionele bestuurders van de universiteiten ventileren en op een oppervlakkige observatie van de vergadercultuur in universiteiten.

In de Tweede Kamer eist niemand dat de redenering onderbouwd wordt met argumenten en resultaten van empirisch onderzoek. Iedereen werpt zich op details. Dat komt natuurlijk omdat het probleem niet helder geformuleerd is, maar wel appelleert aan een veel gehoorde behoefte om de bijzondere positie die universiteiten al honderden jaren in onze samenleving innemen, om zeep te helpen door haar als een bedrijf te besturen. De wet kiest daarom voor een autocratische bestuursvorm. Dit houdt in dat het College van Bestuur alleen verantwoording verschuldigd is aan een Raad van Toezicht. Binnen de universiteit zijn geen bestuurlijke checks and balances ingebouwd. De decanen van de faculteit worden door het college van Bestuur benoemd. De bepaling blijft gehandhaafd dat zij professor moeten zijn. Dit betekent echter niet dat zij moeten voortkomen uit de hoogleraren binnen de faculteit.

De PvdA maakt nu veel ophef over de mogelijkheid voor het opnemen van een student in het faculteitsbestuur die volgens hen expliciet in de wet moet staan. De redenering van de PvdA is onnavolgbaar virtuoos: Er zal géén sprake zijn van medebestuur door studenten, maar de student-bestuurder of bestuurder-student moet echter wel onder zijn medestudenten voor draagvlak zorgen van het beleid van zijn bestuur. Hij moet het beleid verkopen. Dit is een bestuursfilosofie met vele onaangename precedenten, zowel in het bedrijfsleven als in de politiek.

Deze schimmige discussie over medebestuur en democratie versterkt de gedachte dat democratie een nauwelijks te definiëren ideaal is. Het kent vele facetten en kleuren die onder verschillende omstandigheden van verschillende waarde zijn. Haar tegenpool - autocratie - is echter veel duidelijker te definiëren en te herkennen. Zowel in juridische zin (bevoegdheid tot alleenheerschappij als in psychologische zin (drang naar alleenheerschappij). In dit licht kan democratie gezien worden als de plicht tot het afleggen van verantwoording aan de objecten van het beleid en het in bedwang houden van de drang bij bestuurders naar alleenheerschappij.

In dit licht is de nieuwe wet voor het universitaire bestuur a-democratisch. De democratische plicht tot verantwoording van beleid vòòr de uitvoering daarvan is een bron van bescherming tegen wanbestuur. In de discussie in de Tweede Kamer was iedereen het erover eens dat het uiteindelijke resultaat afhankelijk is van de kwaliteit van de bestuurders. Prof.dr. R.J. in 't Veld merkt echter terecht op (Vrij Nederland, 31 augustus) dat er een “chronisch tekort (is) aan mensen die alles tegelijk kunnen. Daarvan zijn er nu eenmaal niet veel. Het zal hem [Ritzen] de grootste moeite kosten zulke integrale managers te vinden. Ze moeten voldoen aan criteria waaraan alleen God zelf voldoet. Ze zullen zich ook gaan gedragen als of ze God zijn.”

Het is onverstandig en onnodig een bestuursorganisatie voor te schrijven die de hoogste kwaliteitseisen stelt aan de bestuurders. In de huidige bestuursorganisatie hebben de werkelijk goede bestuurders ook geen probleem om een krachtig beleid te voeren. Zij achten de zorgvuldige voorbereiding van beleid die noodzakelijk is in een democratisch bestuur een onmisbaar onderdeel van het werk van iedere manager, ook in een niet democratisch bestuurde organisatie. In de huidige gedemocratiseerde bestuursorganisatie worden middelmatige of slechte bestuurders echter wel enigszins beschermd tegen het uitvoeren van onverantwoordbaar beleid.

De nieuwe wet interpreteert democratie in de zin van belangenbehartiging. Het is echter de plicht van een democratisch bestuurder om het gemeenschappelijk belang te laten prevaleren boven belangentegenstellingen. De bestuurder die toestaat dat zijn beleid beoordeeld wordt op het voldoen aan de belangen van specifieke groeperingen, zal ook in een autocratische bestuursorganisatie de grootst mogelijke problemen ondervinden bij het uitvoeren van zijn beleid.

In de discussie over de bestuursvorm voor universiteiten wordt menigmaal verwezen naar de unieke oplossing die Nederland in 1970 heeft gekozen. Als deze nergens anders voorkomt, kan het niet goed zijn, lijkt daaruit te klinken. Dit argument kan ook gebruikt worden om de universiteiten vrij te laten in het vaststellen van hun eigen bestuursvorm, want in vele landen wordt dat niet geregeld door nationale wetgeving. In plaats van de MUB kunnen we beter een overgangsregeling maken die aangeeft hoe en door wie de bestuursorganisatie van iedere universiteit mag worden vastgesteld. Dit zou onnodige discussie in het parlement voorkomen en de universiteiten ertoe dwingen hun eigen probleem goed te definiëren en op te lossen. In een maatschappij waarin de problemen complexer worden en waarin de differentiatie tussen actoren groter en verfijnder moet worden, neemt de kans ook juist af dat een algemene oplossing soelaas biedt.