Jongens met handtasjes en boa's in hilarische show

In het toneelstuk Marival van Felix de Rooy spelen werkloze Antilliaanse maricu's, als vrouwen verklede mannen, zichzelf. Op de Antillemn zijn zij outcasts. “Alleen tijdens carnaval mogen ze ongestraft in vrouwenkleren de straat op.”

Marival, theater Cosmic, Nes,Amsterdam, 19-22/9. De documentaire wordt eind oktober uitgezonden door MigrantenTV.

Gewone jongens zijn het niet, de vijf acteurs in het Amsterdamse theater Cosmic. De repetitie zit erop en zelfs de alledaagse plunje waarmee ze dadelijk in de metro naar hun Bijlmermeerflatjes zullen stappen ziet er opvallend uit. Ze dragen hoofddoeken, oorbellen en handtasjes; hun nagels zijn zorgvuldig gelakt. Maricu's noemt men hen op de Antillen, waar ze tot voor kort nog woonden. Maricu is daar een van de ergste scheldwoorden en het betekent 'flikker'.

In de voorstelling Marival, die op 20 september in première gaat, spelen zij hun eigen leven. Een leven vol gevaren en vernederingen. De een werd in elkaar geslagen, de ander bespuwd, getreiterd en uitgekotst. “Ik maakte onze familie te schande,” vertelt de 27-jarige Signiel G. de Roon. “Steeds hoorden we de buren in Santa Rosa over ons kletsen. 'Die De Roons hebben wel de mooiste auto', zeiden ze dan, 'maar hun zoon is een totale flop.' Mijn vader werkte zo hard en toch lachten de mensen hem uit. Dus met mij wilde hij niets meer te maken hebben.”

Signiel de Roon heeft het gevoel dat hij een vrouw is 'die voor de man moet zorgen, die lief voor hem moet zijn.' Bevallig strijkt hij het T-shirt rond zijn corpulente lichaam glad. Felix de Rooy (44), de regisseur en schrijver van Marival, legt uit: “De rolverdeling onder homo's is op de Antillen veel strikter dan in Nederland. Op Curaçao ben je òf kwedo òf wakado. De kwedo is het mannetje, 'hij die grijpt of neemt', terwijl de wakado ontvangt en verduren moet.” Signiel de Roon houdt van kwedo's omdat hij in hun gezelschap 'helemaal vrouw' kan zijn. Maar soms wordt hij 'een beetje boos' op hen: “Overdag schelden ze ons uit, want dat staat stoer, en 's avonds willen ze stiekem met ons vrijen.” In Marival wordt de draak gestoken met deze vorm van hypocrisie.

Antilliaanse mannen in de zaal zullen flink opkijken van de stroom ongecensureerde levensberichten, hoopt Felix de Rooy. Ook hij, de maker van de met een Gouden Kalf bekroonde speelfilm Ava en Gabriël, bracht zijn jeugd door op de Antillen. Reeds als kind had hij openlijke relaties met mannen en in zijn hoge zeeroverslaarzen werd hij door de inwoners van Willemstad argwanend nagestaard. “Ons gezin was überhaupt een spektakel. Mijn moeder was een Indiaans-Duitse schoonheid en mijn vader had een pigmentverschuiving, hij was een donkerbruine man met overal witte vlekken op zijn gezicht.”

Over kleur hebben de spelers in Marival net zo veel te vertellen als over hun eigen ontmaagding. Die komt aan bod in scène 3: The first blood, en De Rooy licht toe: “Een van de jongens in het toneelstuk herinnert zich dat hij na de penetratie vreselijk bloedde. Thuis plaatste hij een prop wc-papier tussen zijn billen opdat het laken dat z'n moeder altijd waste niet besmeurd zou raken. Dat wordt dan door een man verteld die zich als vrouw verkleed heeft, wat licht vervreemdend werkt.” Om tot dergelijke ontboezemingen op het toneel te komen moesten de acteurs eerst hun gêne overwinnen. “Aan de ene kant”, zegt de regisseur, “Zijn zij erg anarchistisch, aan de andere kant worstelen ze met taboes. Vergeet niet dat zowel het gewone leven als het theater op Curaçao sterk aan decorum hecht. Deze jongens willen bijvoorbeeld niet naakt het podium op, absolutamente no.”

Liever hullen ze zich in zelfgenaaide kostuums, die geweldig zullen glitteren. Want de bekentenissen en provocaties in Marival zijn verpakt in een hilarische show. Een uit de hand lopende Miss-verkiezing vormt het raamwerk, en ook dit is uit het Antilliaanse leven gegrepen. “Alleen tijdens het carnaval”, vertelt De Rooy, “mogen de maricu's ongestraft in vrouwenkleren de straat op. Hoogtepunt van de carnavalsweken is de Miss-Marival-verkiezing, een samentrekking van de woorden maricu en carnaval. Voor een echte jury moeten 'de meisjes' in badpakken paraderen, ze worden geïnterviewd en komen op tv. Eén keer per jaar kunnen de maricu's openlijk trots zijn op zichzelf. Hoewel het ook iets treurigs heeft. Daarom laten de missen in het stuk de kroon uiteindelijk staan: ze hebben geen zin meer in dat stereotiepe vrouwtjesgedrag.”

De bijna dagelijkse repetities doen de spelers in Marival even vergeten dat ze werkloos zijn en kansarm, ook hier in Nederland, waar vooral hun huidskleur en beperkte Nederlandse woordenschat in hun nadeel werken. Pas als hun bijstandsuitkering binnen is, kunnen ze de glitters en boa's bij hun kostuums gaan kopen. Voor het theaterproject, waarvan De Rooy ook een televisiedocumentaire wil maken, heeft de Nederlandse overheid hen tot nu toe geen cent subsidie gegeven. Misschien ligt dat aan de voertaal op het podium, het Papiamento. Uitsluitend op de taal beoordeeld is Marival inderdaad geen Nederlands stuk. Maar het gáát wel voor een deel over de Nederlanders.

Zo doet een van de acteurs uit de doeken dat een seksbureau hem naar een blanke Nederlander stuurde die door hem, een zwarte, afgeranseld wenste te worden. Daar stond hij dan met een leren zweep in zijn handen, terwijl hij toch in de geschiedenislessen van zijn opa geleerd had dat het andersom moest, dat de blanke man de zwarte man altijd sloeg. Rare lui, die Hollanders. De Rooy verwacht dan ook dat zijn voorstelling tevens die laatste groep zal beroeren: “De Latijnse passie is groot. Ook in het publiek. Ik kan je garanderen dat het met de maricu's in een woordenwisseling verzeild zal raken. Tenminste, als ik er werkelijk in slaag het maagdenvlies te breken.”