Fabre's theater als verweer tegen de vergankelijkheid

Voorstelling: De keizer van het verlies, geschreven en geregisseerd door Jan Fabre. Spel: Dirk Roofthooft; vormgeving, rekwisieten: Leen Vandierendonck. Gezien 17/9 Rotterdamse Schouwburg. Te zien 18/9 aldaar. Tournee: de Singel, Antwerpen 27 t/m 29/9.

Speelde Jan Fabre's vorige monoloog Een doodnormale vrouw zich af temidden van een gaaf veld van witte, ongeschonden borden, in zijn nieuwste theatertekst De keizer van het verlies gaan er juist tientallen borden aan diggelen. Was de hoofdpersoon in het eerste toneelstuk een tovenares, nu treedt een goochelaar aan. Beiden proberen desperaat en hartstochtelijk van de alledaagse werkelijkheid een feest voor de fantasie te maken.

Dat verlangen komt bij schrijver en regisseur Jan Fabre voort uit een diepgeworteld besef van vluchtigheid en van kleurloosheid van het dagelijks bestaan. Dirk Roofthooft, die in De keizer van het verlies een enerverende clowneske rol speelt, verzucht ergens: “Wij zijn in de ban van de vergankelijkheid.” Het enige verweer dat zowel schrijver als hoofdpersonage tegen die onverbiddelijke tredmolen van de tijd hebben is om theater te maken, om met het toneel een eeuwigdurend moment van tijdeloosheid te creëren.

Dirk Roofthooft die in De keizer van het verlies een alleenspraak van bijna twee uur houdt, heeft het hart uit zijn lichaam gesneden. En toch leeft hij voort. Gedurende de hele voorstelling vraagt hij zich af waar hij zijn hart zal dragen: op zijn rug, op zijn hielen, zijn buik, of zijn hoofd misschien? Af en toe neemt hij een hapje uit zijn hart, om het weer inwendig te laten zijn. Aan het begin vraagt hij zich af hoeveel bloed het hart in zijn leven tot nu toe gepompt heeft, hoeveel slagen het maakte en of hij jong dan wel oud is.

En of hij wel opnieuw kan beginnen. Met het leven, maar ook met de toneelvoorstelling. Want dat wil iedereen die in de ban is van de vergankelijkheid: weer beginnen met een schone lei, de voorbije tijd terugwinnen. De titel verwijst naar de macht die de keizer heeft om het verlies het hoofd te bieden: hij weigert eenvoudigweg het verlies te aanvaarden.

Zoals elke clown in het circus of elke goochelaar thuis bij een kinderfeestje moet hij het hebben van flauwiteiten. Een clown is iemand die zijn mislukkingen ensceneert. Daarom herhaalt hij uitentreuren hetzelfde, telkens tot mislukken gedoemde foefje door een gekleurd touw in de lucht op te gooien, verwachtingsvol in de hoogte te kijken - en te ontdekken dat er niets gebeurt. Hij blaast bellen, hij strooit met confetti. Mooi en kinderlijk.

Zijn decor bestaat uit een roodfluwelen ruimte met palmen in potten. Op de grond ligt een pop als zijn evenbeeld. De intrigerendste verschijning, achterin, is een oehoe. Deze nachtelijke jager volgt met spiedende aandacht van zijn ogen de dwaze verrichtingen, de danspasjes en de buitelingen, van Roofthooft. De bezonken wijsheid van de uil reflecteert onze manier van kijken, want ook de toeschouwers zien de acteur aanvankelijk met reserve aan. Zouden wij ons in het theater serieus met een circusartiest bezighouden die borden in de lucht tegen elkaar gooit en de scherven op zijn kale kop (vraag aan het publiek: 'Zit mijn haar goed?') laat regenen? Ofwel: hoe naïef mag theater zijn?

Maar naïviteit bestaat niet zonder diepe ernst. De bellen die zo ontroerend glanzen in het theaterlicht (vraag en antwoord: 'Hoeveel zijn het er? Zeventien!') zijn in hun kortstondige leven even tijdelijk als het menselijke hart. Dirk Roofthooft volgt volmaakt de golfbewegingen van Fabre's tekst: kinderlijke verwondering slaat om in woede en omgekeerd.

En dan aan het slot. Tromgeroffel. Nog een keer het foefje met het touw. Het sneeuwt niet uit het toneelhuis, het regent niet, maar het regenboogt (als dat werkwoord zou bestaan) kleurrijke serpentines vanuit de hoogte omlaag. In een seconde vult het podium zich met een sprookjesachtige schoonheid. De fantasie heeft het gewonnen van alle vergankelijkheid.