Alledaagse dingen in een moeizame relatie

Schijnsel. Regie: Frans van de Staak. Met Frieda Pittoors en Bert Luppes. In Amsterdam, Nederlands Filmmuseum; Utrecht, 't Hoogt.

Het gebeurt me gelukkig niet vaak dat ik tijdens een film al hartgrondig zit te verlangen naar het einde. Maar bij Schijnsel was dat al na een kwartier het geval. De negende lange film van Frans van de Staak (1943) roept maar één emotie op: ergernis.

Waar Schijnsel over gaat, wordt niet duidelijk. We zien een man en een vrouw van middelbare leeftijd die een moeizame relatie met elkaar hebben. Ze spreken in onnatuurlijke, absurdistische dialogen - of gewoon in raadselen - en worden gevolgd bij alledaagse bezigheden, variërend van het knippen van een duimnagel tot het aantrekken van sandalen. Minutenlang zien we een close-up van een blikje dat met behulp van een kapotte blikopener wordt opengewerkt. Frans van de Staak houdt van het experiment; in Ongedaan gedaan (1989) associeerde hij vrijelijk op twee gedichten van Gerrit Kouwenaar, in Kladboekscènes (1994) liet hij het leven van de Duitse schrijver en fysicus Lichtenberg als een onontwarbaar raadsel naspelen. Natuurlijk is het bij dit soort films ongepast om te zeggen dat het verhaal geen ontwikkeling kent of dat je je niet kunt identificeren met de hoofdpersonen. Maar je mag best verlangen dat er genoeg te zien en te horen is om op zijn minst geboeid te blijven.

Schijnsel, dat onlangs de L.J. Jordaanprijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst kreeg, biedt niets: geen memorabele beelden, geen bijzondere teksten, geen acteurs met een sprankje charisma. Als je in de stemming bent, zou je af en toe kunnen grinniken om de aan Herenleed herinnerende dialoogjes ('Heb je je bezeerd?' 'Ja natuurlijk, anders zou ik toch geen au roepen') - maar dat zal de maker van de film ongetwijfeld niet kunnen waarderen.

“Het leed dat sommigen berokkend wordt, valt moeilijk te beschrijven,” zegt een van de personages in Schijnsel. Niemand zal de scenarioschrijvers (Frans van de Staak en Hanneke Stark) tegenspreken. De vraag die na anderhalf uur bij me opkwam was niet: waarom zou iemand deze film willen zien? maar: waarom wil iemand deze film maken?