Alija Izetbegovic; Symbool van strijd

Van de zes presidenten die na de desintegratie van Joegoslavië in de nieuwe republieken aan de macht kwamen, was Alija Izetbegovic de enige die nooit communist was geweest. Integendeel: de nu 71-jarige leider van de Bosnische moslims is veertig jaar lang geschaduwd door Tito's geheime politie.

Hij werd al aan het eind van de jaren veertig in het kader van een offensief tegen de religie als lid van de nationalistische Mladi Muslimani (Jonge Moslims) veroordeeld tot drie jaar cel, een straf die gezien zijn jeugd - hij was nauwelijks twintig - betrekkelijk mild was: er werden ook leden van Mladi Muslimani geëxecuteerd.

In 1983 stond de jurist Izetbegovic opnieuw voor de rechter, als lid van een groep 'contrarevolutionairen' die wegens 'islamitisch fundamentalisme' werden aangeklaagd. Izetbegovic kreeg na het proces, waarbij lichamelijke en geestelijke foltering werd toegepast, twaalf jaar cel wegens zijn boek Islamitische Verklaring. Volgens de aanklacht (en de Serviërs beweren dat nog steeds) was het een pleidooi voor een islamitische staat. In werkelijkheid was het een wetenschappelijk werk, waarmee Izetbegovic het intellectuele debat tussen moslims over hun plaats in het seculiere Joegoslavië wilde aanzwengelen. De kernthese: de waarden van de westerse, seculiere wereld hebben geen zin zonder de spirituele waarden van de islam.

Izetbegovic zat gevangen tot eind 1988. Na zijn vrijlating richtte hij de Partij van Democratische Actie (SDA) op, die bij de eerste multi-partijenverkiezingen in 1990 43 procent van de zetels in het Bosnische parlement veroverde. Izetbegovic werd leider van een regering van nationale eenheid en voorzitter van het staatspresidium.

Toen in 1991 Kroatië en Slovenië zich van Joegoslavië losmaakten, begreep Izetbegovic dat zij daarmee de onafhankelijkheid van Bosnië onvermijdelijk maakten: het alternatief was een vazallenstatus voor Bosnië binnen het door de radicaal-nationalist Milosevic gedomineerde restant van Joegoslavië. De uitroeping van de onafhankelijkheid leidde - al even onvermijdelijk - tot oorlog, omdat de Serviërs van die onafhankelijkheid niets moesten hebben.

In de oorlog groeide de man met de doordringende blauwe ogen en de trieste blik, uit tot het symbool van het even wanhopige als taaie verzet van de moslims tegen de Servische agressor. 'Dedo' (Opa) noemen de moslims hem, een koosnaam voor een man wiens kwetsbaarheid hem op het gezicht geschreven staat.

Jarenlang is Izetbegovic de kampioen van het multi-etnisch samenleven van moslims, Kroaten en Serviërs gebleven. Dat imago verdwijnt: in de laatste maanden van de oorlog en de eerste van de vrede is ook hij opgeschoven. Zijn partij, de SDA, is steeds meer de fundamentalistische kant opgegaan en is zich - net als de Servische SDS en de Kroatische HDZ - intoleranter gaan gedragen. Izetbegovic zelf ziet het nu zo: “Multi-cultureel zijn is goed. Maar we hebben de plicht voor alles de belangen van het moslim-volk te verdedigen.”