Zo, bent u daar weer

Ze doet al tijden de deur niet meer open voor onbekenden en met de jaren is haar wereld geheel en al uit onbekenden gaan bestaan. Tweemaal per dag krijgt ze iemand van de wijkverpleging over de vloer, die een sleutel van haar huis heeft. Soms krijgt deze haar zover dat ze haar medicijnen inneemt, dat ze zich onder begeleiding gaat wassen of dat ze wat eet.

Veel vaker weigert ze categorisch iedere vorm van hulp en valt er geen land met haar te bezeilen.

Het is donker als ik voor het eerst haar woonkamer binnenkom. In een hoek bij de tafel ontwaar ik twee spiedende oogjes die nauwgezet iedere beweging volgen die ik maak. Ik doe de gordijnen open. In het daglicht wordt een broos, oud vrouwtje zichtbaar. Ze knijpt met haar ogen alsof ze last heeft van de zon. Haar houding is gespannen als die van een kat in het nauw. Haar handen houdt ze gekromd op kinhoogte, ieder moment kunnen ze klauwend van zich afslaan. Maar vooralsnog lijkt ze te hopen onopgemerkt te blijven.

“Hoe gaat het met u, mevrouw?”

Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, ze maakt zich nog kleiner en duikt diep weg in haar duster.

“Kan ik u ergens mee helpen?” probeer ik vervolgens. Ze schiet overeind.

“U mij helpen? Nee, ik hoef niet geholpen!!!”

Ik vraag haar of ik dan soms een kopje koffie voor haar kan maken. Nu lichten haar ogen even op waaruit ik afleid dat ze hier wel trek in heeft. Om in de keuken te komen moet ik aan het einde van de gang een trapje op. Bij het verlaten van de woonkamer zie ik een sleutel in de deur zitten, en ik voel dat de vrouw naar deze sleutel kijkt.

In de keuken realiseer ik mij dat al mijn spullen nog in de kamer liggen. In gedachten zie ik de vrouw snel de sleutel omdraaien, en mezelf even later smekend voor een dichte deur staan. Tevergeefs, ze laat zich niet vermurwen. Zonder jas en werkschema druip ik af de koude straat op...

Het water kan me niet snel genoeg koken. Vlug ga ik met de kop koffie terug naar de woonkamer die godzijdank niet op slot is. De ogen zijn niet van de deur af geweest, en met een venijnig stemmetje merkt de vrouw op: “Zo, bent u daar weer. Ik ging er al vanuit dat u me belazerd had en 'm was gesmeerd. Net goed, dacht ik: z'n jas vergeten.”

Ik barst in lachen uit maar de vrouw kan er de lol niet van inzien. Over haar kopje koffie heen houdt ze me streng in het oog en ik realiseer me dat het halfuur dat voor haar is ingeruimd in mijn werkschema al bijna om is. Vandaag blijft het bij één kopje koffie.

Tijdens het aantrekken van mijn jas kijk ik naar de vrouw en ik probeer me voor te stellen hoe zij vroeger hier geleefd heeft. Waarschijnlijk kende ze de hele straat en iedereen noemde haar tante Jans of tante Marie. Nu kent ze niemand meer en niemand kent haar nog. Haar familie is verhuisd naar een groeigemeente, ver weg van Amsterdam. De eerste tijd kwamen ze haar nog wel eens opzoeken maar met de jaren vonden ze haar lastig worden. Ook werd het vinden van een parkeerplaats voor hun auto een steeds groter probleem. Op een gegeven moment zijn ze haar maar gewoon vergeten...