WERKEN AAN ZEKERHEID; Het kabinet bereidt een slag om de pensioenen voor

Binnen het kabinet-Kok is de afgelopen maanden flink slag geleverd over de inhoud van de nota 'Werken aan zekerheid'. De gevechten gingen met name tussen de ministers Melkert (Sociale Zaken), Zalm (Financiën) en Wijers (Economische Zaken), maar ook minister-president Kok bemoeide zich er intensief mee. Inzet waren de nieuwe oudedagsvoorziening, die het kabinet voorstaat, en mogelijke ingrepen in de WW.

Nu de rook is opgetrokken liggen er “bouwstenen voor een modern en houdbaar sociaal stelsel”, waarover de Sociaal-Economische Raad (SER) mag adviseren. Meest opvallend is de voorgestelde nieuwe oudedagsvoorziening. Zoals in de hele nota gunt het kabinet geïnteresseerden ook hier voornamelijk een blik in de kristallen bol. Het enige concrete besluit is dat de AOW-premie in 1997 wordt “gemaximeerd” op het huidige niveau van 15,4 procent. De rest is toekomstmuziek. Een serieuze beleidsoptie is om het plafond in de AOW-premie voor volgend jaar ook in de verdere toekomst als maximum te hanteren. Het Algemeen Ouderdomfonds, waaruit de AOW-uitkeringen worden betaald, zal dan op peil gehouden worden met rijksbijdragen (belastinggeld). “Dat geeft iedereen de maximale zekerheid dat de AOW ook in de toekomst als basispensioen beschikbaar is”, zegt staatssecretaris F. de Grave (Sociale Zaken) in een toelichting op de begroting. Hij wijst erop dat de financiële status van de overheid “triple A” is. Beter kan niet.

Bij handhaving van de huidige systematiek zal het percentage van de AOW-premie sterk oplopen van 14,6 procent in 1995 tot rond de 30 procent in 2035. Dit komt omdat het aantal premiebetalers geleidelijk afneemt (ontgroening), terwijl het aantal uitkeringsgerechtigden groeit (vergrijzing). Door de AOW-premie aan een maximum te binden en het AOW-fonds aan te vullen met belastinggeld wordt de rekening van de vergrijzing niet alleen betaald door toekomstige werkenden, maar door iedereen die belasting betaalt. Zo wordt in de nieuwe situatie ook het bedrijfsleven via de vennootschapsbelasting aangeslagen. Maar wat belangrijker is: ook de 65-plussers zelf. Die betalen namelijk wél belasting, maar géén AOW-premie.

In de Macro Economische Verkenning van het Centraal Planbureau (CPB) worden de effecten van de maximering op een rijtje gezet. Doordat de rekening van de vergrijzing over meer betalenden wordt omgeslagen, valt het individuele tarief lager uit. Dat is gunstig voor de koopkracht van werkenden en voor de werkgelegenheid, aldus het CPB. Het is bovendien gunstig voor de koopkracht van de minimumloner en de sociale minima. Ouderen met een (groter) aanvullend pensioen hebben echter nadeel bij de systeemwijziging.

Omdat de vergrijzing de komende decennia nog meevalt, zal de rijksbijdrage aan het AOW-fonds aanvankelijk bescheiden blijven. Gedurende de eerstkomende kabinetsperiodes, zo becijfert het CPB, zal het niveau van de rijksbijdrage stijgen met zo'n half miljard gulden per jaar. Als deze rijksbijdrage gefinancierd wordt uit de eerste schijf van de inkomstenbelasting (waar ook de AOW-premie onderdeel van uitmaakt) zullen de koopkrachteffecten nauwelijks waarneembaar zijn. Het is volgens het CPB ook mogelijk om de AOW volledig uit de belastinginkomsten te financieren. Veel gevoeliger dan de maximering van de AOW-premie liggen de voorstellen voor het aanvullend pensioen. Bij de meeste pensioencontracten is 70 procent van het laatstverdiende loon (eindloon) de norm. Het kabinet wil de overgang naar een goedkoper “middelloonsysteem” bevorderen. Hierbij is de norm: 70 procent van het gemiddeld over alle dienstjaren verdiende inkomen. De fiscale begunstiging wordt “afgetopt” tot dit niveau. Dat wil zeggen: de pensioenpremie voor het collectief op te bouwen pensioen is boven de nieuwe norm van 70 procent middelloon niet langer aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.

Het kabinet wil bovendien de collectieve verplichtstelling van een pensioen beperken tot de nieuwe norm van 70 procent middelloon en deze verplichtstelling ook nog eens begrenzen tot aan de maximum-uitkering van de werknemersverzekeringen (momenteel 76.000 gulden per jaar). Vooral carrièremakers worden door dit nieuwe systeem gedupeerd.

Individuele aanvullingen op het collectief opgebouwde pensioen blijven echter mogelijk. Dat kan door lijfrenten of koopsompolissen te kopen. Het kabinet wil echter ook aanvulling voor eigen rekening mogelijk maken bij de pensioenuitvoerders. En dat alles in ruime mate fiscaal worden bevorderd. “Zo zal desgewenst individueel bij een langere arbeidsperiode dan 35 jaar, bijvoorbeeld veertig jaar, een hoger pensioen dan 70 procent middelloon bereikbaar zijn”, schrijft het kabinet in de nota 'Werken aan zekerheid'.

De sociale partners zullen de kabinetsvoorstellen beschouwen als een beperking van hun vrijheid om aanvullende collectieve pensioenregelingen af te spreken. Zij mogen hun ongenoegen kenbaar maken in een SER-advies. Een volgend kabinet moet dan werkelijke besluiten nemen. Op dat moment kunnen de politieke machtsverhoudingen echter al weer een stuk anders liggen. Dit betekent dat een toekomstige politieke slag om de pensioenen andere uitkomsten, winnaars en verliezers kan hebben.