Soepel

Ik heb, om de wereld te begrijpen, mijn denken vaak ondersteund door het getal. Zo is 2 de liefde, 3 de kracht (drie-eenheid, de brugconstructie), 4 het huis, de kamer, en 5 ligt ten grondslag aan de gulden snede, die op zijn beurt de ideale verhouding tussen lengte en breedte van een schilderij bepaalt: {(1+5) 2}; 5 is het grondtal van heel veel bloemen en in het bijzonder van de roos.

Het getal 1 ben ikzelf, en ieder voor zich. 0 is niets, 'n erg belangrijk getal en verder is alles een afgeleide. 6 is 3 x 2 en 7 is 3 x 2 + 1, enzovoort.

Zo zag mijn wereld er uit. Dat ik op school zoveel leerde dat niet bleef hangen kwam denk ik door de wijde, grootmoedige mazen van mijn verstand. Alleen wat 1 was of 2, 3, 4 of 5, of 0, bleef liggen, om het sediment te vormen dat men geest noemt. Sommige vakken begreep ik meteen, andere nooit. De namen van de Griekse muzen bijvoorbeeld, negen in getal, en hun betekenis, braaf uit het hoofd geleerd, vertikten het om langer dan een dag te worden onthouden. Ik zoek ze nu op. Zij waren: Clio (geschiedenis), Euterpe (muziek), Thalia (blijspel), Melpomene (treurspel), Terpsichore (zang en dans), Erato (lyriek), Calliope (epiek), Urania (astronomie) en Polyhymnia (hymnen). Waarom, dacht ik toen, wel een muze voor geschiedenis en niet een voor aardrijkskunde, mijn beste vak? Waarom maar één voor de exacte vakken? Waarom niet een voor de beeldhouwkunst? Omdat de rij niet logisch of compleet was en ook niet op een andere wijze de wereld leek te onderbouwen, was er voor de Griekse muzen in mijn geest geen plaats. Dat ging eenvoudig niet samen, de muzen en ik.

Wat ik op school het grootste raadsel vond waren de meisjes, of de vrouwen zoals wij later zeiden. Om ze te begrijpen deelde ik ze in onder de 4. Als ik ze tekende, heimelijk, gaf ik ze vierkante ogen (mannen hebben driehoekige ogen), en vierkante borsten. In het algemeen droeg mijn getekende wereld een kubistische signatuur. De gebogen en ronde lijnen zijn van latere datum, toen ik al wel 's een vrouw had gevoeld - toen viel dat opeens heel anders uit. Maar nog steeds, in mijn ziel, is de vrouw: vierkant, huis, altijd thuis.

Ik zit ook altijd graag met een vrouw in een auto. Al rijdend. In het bijzonder met m'n eigen vrouw. Knus samen onder één klein dak. We hebben een goed autohuwelijk. De rit naar Albert Heijn is het mooist. Leeg heen, vol terug. Intratuin. Gamma. Ik persoonlijk koop het liefst wat onnozele dingen. Ten teken dat het er niet zo toe doet. Een kabouter of een kikker van beton. Of een vrouw met een vaas op haar hoofd. Afstekend tegen het donkergroen van de taxus heeft ze onze tuin een heel bekoorlijk, achttiende-eeuws aanzien gegeven en het beeld is niet langer afschuwelijk.

Het komt ook door mijzelf. Ik hoef niet alles meer precies te weten, ik ben tevreden met het licht dat ik in mijn leven heb aanschouwd. Ik ben een stuk soepeler geworden.

“Het komt allemaal uit Italië”, vertelt de verkoper ons. Dat weten we. We hebben het in Italië zien staan, een stuk duurder dan hier in Nederland gek genoeg. Dan kun je het toch beter hier kopen. Er is weer een grote partij binnengekomen. Opgesteld in rijen staan ze ten toon. We gaan voor de bijl en rijden even later met zo'n witte signorina naar huis.

Harp, een bloemenkrans in het haar. We stellen haar op naast de vijver, zodat we haar weerspiegeld zien. Op een lage sokkel staat ze, in het hoge gras dat haar herkomst verbergt. Pas maanden later zullen we, haar naam lezend, ontdekken dat we een Terpsichore in de tuin hebben staan. De muze van weet ik wat, leg ik mijn vrouw uit, we hebben een muze in de tuin. En ik voel dezelfde opwinding als wanneer ik in het veld op een vreemde, zeldzame bloem ben gestuit. En dan het plotselinge verlangen ze compleet te hebben, op een rijtje tegen de taxushaag, alle negen.

Zo ver komt het natuurlijk niet. Maar wel zal ik die avond mij verdiepen in de studie der muzen, wat hun betekenis is en waaraan ze te herkennen zijn, hun specifieke attributen.