Sociale Zaken; Genoeg banen, te veel werklozen

De stijging van de werkgelegenheid is in Nederland groter dan in welk Europees land ook. Tegelijk is het aantal mensen dat langdurig buiten het arbeidsproces staat “onaanvaardbaar” hoog.

Dat blijkt uit de begroting en de tegelijkertijd verschenen Sociale Nota van minister Melkert en staatssecretaris De Grave. De bewindslieden melden dat ze één jaar voorlopen op de planning van het regeerakkoord. Daarin stond dat aan het eind van de kabinetsperiode, in 1998, een groei van 350.000 banen moest zijn bereikt, maar dit aantal kunnen de bewindslieden al voor volgend jaar noteren. De werkloosheid daalt in 1997 tot 465.000, oftewel 5,25 procent van de beroepsbevolking, tegen zes procent dit jaar.

Elk jaar komen er 100.000 meer nieuwe banen bij dan er jaarlijks verloren gaan. Op de korte termijn ontstaan daardoor problemen, want de aangeboden banen sluiten nog niet aan op de capaciteiten van de mensen die deze banen moeten innemen.

Op de langere termijn verdwijnen deze 'aansluitingsproblemen', zo verwachten de bewindslieden van Sociale Zaken. Zorgwekkender is de positie van langdurig werklozen. In 1995 zat meer dan de helft van de werklozen een jaar of langer zonder baan. Het gaat daarbij vooral om mensen met alleen basisonderwijs. De opleidingseisen voor vacatures worden steeds hoger. Naarmate iemand langer werkloos is nemen zijn kansen op een baan af. Met tal van maatregelen probeert Melkert deze neerwaartse spiraal te doorbreken. Werkgevers die mensen in dienst nemen met een salaris van maximaal vijftien procent boven het minimumloon, krijgen een korting van 2.000 gulden op de loonbelasting. Als de nieuwe employé een langdurig werkloze is, kan deze korting oplopen tot 6.000 gulden, bijna evenveel als de totale werkgeverslasten.

Centraal in begroting en Sociale Nota staat de zogenoemde i/a-ratio. Daarmee wordt weergegeven hoeveel mensen een uitkering hebben ten opzichte van honderd mensen met een baan. Het verhoudingsgetal daalt sterker dan het kabinet de voorgaande jaren voor mogelijk had gehouden, waardoor de uitgaven aan sociale zekerheid verder zijn gedaald. Volgend jaar zullen er naar verwachting 78,3 inactieven op de honderd actieven zijn. Het is een cijfer waarmee Nederland in Europees opzicht een aardige score heeft. Drie jaar geleden lag het Nederlandse verhoudingscijfer nog op 83,2.

De i/a-ratio bepaalt of de uitkeringen gekoppeld worden aan de gemiddelde loonontwikkeling. Omdat het getal waarboven niet wordt gekoppeld op 82,6 ligt, zullen de uitkeringen net als vorig jaar meegaan met de lonen. Die stijgen naar verwachting met 2,5 procent. Omdat de prijzen volgend jaar naar verwachting met hetzelfde percentage stijgen, zal de koopkracht voor uitkeringsgerechtigden gelijk blijven.

Koopkrachtbehoud of een lichte verbetering geldt voor vrijwel iedereen, ook al omdat de kinderbijslag evenveel stijgt als het gemiddelde prijsniveau. Alleen mensen die meer dan twee keer modaal verdienen (ongeveer 110.000 gulden) met kinderen zien hun koopkracht met een kwart procent dalen.

De gunstige cijfers die Melkert en De Grave presenteren en waarmee ze aangeven dat Nederland het “internationaal zo slecht nog niet doet”, staan in contrast met het commentaar van de Raad van State, die zich over alle begrotingen gebogen heeft. “De arbeidsparticipatie is - in jaren gemeten - slechts vijftig procent, hetgeen internationaal gezien gering is”, schrijft het college in de jaarlijkse brief aan de koningin.

Gemeten in personen valt de arbeidsdeelname fors hoger uit, omdat een groot aantal mensen in deeltijd werkt. Onder vrouwen stijgt de deelname sterker dan bij de mannen. Maar wat Melkert betreft komen te weinig vrouwen toe aan betaald werk. Vrouwen besteden zeventig procent van hun tijd aan zorg, terwijl mannen evenveel tijd aan hun werk kwijt zijn. Onder meer versoepeling van het ouderschapsverlof en een regeling voor loopbaanonderbreking moeten leiden tot een doorbreking van de traditionele dagindeling.