Ontwikkelingssamenwerking; Meer geld voor zuivere hulp

De ministers van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking, Economische Zaken en Financiën bundelden begin dit jaar hun krachten.

Er ligt nu één begroting op tafel met in totaal 7,859 miljard gulden aan buitenlanduitgaven. Met dat bedrag kan enigszins worden geschoven zodat er kansen zijn voor nieuw beleid, waarbij de economische belangen van Nederland in het oog worden gehouden. Ontwikkelingssamenwerking kreeg bij deze begroting 200 miljoen meer voor zuivere hulp.

Minister Pronk is tevreden. “Ik vind het een mooi bedrag: 5,9 miljard gulden voor zuivere ontwikkelingshulp. In de meeste Westerse landen wordt minder uitgetrokken. Natuurlijk wil ik wel meer geld, maar je moet ook realist blijven”, zegt hij in een toelichting.

Ging het in vorige jaren vooral om de kwaliteit van de hulp die Nederland verstrekt, nu wil minister Pronk vooral kwantitatieve doelstellingen. Twintig procent van de begrotingsgelden is bestemd voor sociale basisvoorzieningen. Maar dan moeten de ontvangende landen ook zelf twintig procent van hun begroting aan die basisbehoeften uitgeven.

Vier procent van de begroting (225 miljoen) is bestemd voor maatregelen op het terrein van geboorte en geboorte-beperking (vaccinatie, voorlichting, gezinsplanning, abortus en de bestrijding van seksueel overdraagbare aandoeningen). 380 miljoen gulden is bestemd voor het internationale milieu. Pronk wil ook dat er meer hulp komt om conflicten te bestrijden.

“Als je er in een land als Liberia in slaagt om tijdens een bestand de kinder-militia weer in de schoolbanken te krijgen, het onderwijzend personeel een baan te geven en de loslopende soldaten te betrekken bij de wederopbouw, dan trek je op die manier het vloerkleed onder de warlords weg. Dan ben je pas echt goed bezig. Die militairen gebruiken hun geweren als creditcards. Je moet ze op een of andere manier aan een zeker inkomen helpen en zo de stabiliteit in een verscheurd land bevorderen”, aldus Pronk.

Zijn departement verwacht veel van het verschuiven van de uitvoering van beleid naar de Nederlandse posten in het buitenland. Ambassadeurs kunnen in de toekomst zelf beslissen welke projecten worden uitgevoerd in de landen waar zij Nederland vertegenwoordigen, binnen de afspraken over doelstellingen die in Nederland zijn gemaakt.

Bij de coördinatie van het buitenlands beleid noemt Van Mierlo zichzelf de kapitein op het schip van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Pronk: “Ik ben daarbij de loods.”