MACRO ECONOMISCHE VERKENNING; Harder werken en evenveel verdienen

“Waar blijft het werk?”, vroegen met name werklozen zich een paar jaar geleden nog af. Zij werden geconfronteerd met steeds positievere berichten over de groei van de Nederlandse economie, maar evengoed zaten ze nog steeds thuis. De groei lijkt zich eindelijk toch te vertalen in een toename van de werkgelegenheid. Mensen die zich enige tijd geleden nog afvroegen waar het werk bleef en inderdaad een baan hebben gevonden, zitten thans met de vervolgvraag: 'waar blijft mijn geld?'.

Het Centraal Planbureau vindt het een logische vraag. “Hoe kan het immers”, vraagt het CPB zich in de Macro Economische Verkenning 1997 namens alle Nederlanders af, “dat het nationaal inkomen groeit met 3 procent, maar dat ik er in koopkracht als het meezit slechts een 0,5 procent op vooruit ga?” De oorzaak zit in de sterke toename van het aantal inkomens: steeds meer mensen die eerst een uitkering hadden, hebben nu een baan. Hun koopkracht gaat er wel degelijk op vooruit. En fors ook: gemiddeld met zo'n 15 procent, met flinke uitschieters naar boven. Voor de mensen die al een baan hadden verandert er niet zoveel, maar samen met de ex-werklozen dragen ze krachtig bij aan de toename van het nationaal inkomen en de opleving van de economie.

Die opleving is te danken aan de consument en niet aan de bedrijven of de overheid. Dat is vrij uitzonderlijk, concludeert het CPB. Normaal voor een open economie als de Nederlandse is dat eerst de vraag uit het buitenland toeneemt, vervolgens de investeringen aantrekken en daarna de consumptiestijging volgt. Het zijn precies de fasen die Nederland al achter de rug heeft, staat in de Miljoenennota. In 1994 was de toegenomen export de motor voor het economische herstel, waarna in 1995 de investeringen fors aantrokken.

Vorig jaar was er volgens het CPB sprake van een 'robuuste' groei van de investeringen met 16 procent. Niet dit jaar, maar pas in 1997 zullen die investeringen winst gaan opleveren. De reden daarvoor is dat veel ondernemers hun prijzen dit jaar naar beneden bijstelden om hun positie op de wereldmarkt te verbeteren.

Volgend jaar zal het beter gaan en verwacht het CPB een loonstijging van 2,5 procent. Maar dan moet elke werknemer wel harder werken; de groei van de arbeidsproduktiviteit is wat het CPB betreft nog veel te mager.

Het Planbureau noemt de achterblijvende arbeidsproduktiviteit enigzins cynisch de keerzijde van 'het Nederlandse werkgelegenheidswonder', dat bestaat uit de explosieve groei van volledige banen sinds het midden van jaren tachtig. In internationaal opzicht staat Nederland er echter niet geweldig voor: uitgedrukt in arbeidsjaren is er maar werk voor 52 procent van de bevolking tussen de 15 en 65 jaar. Omdat veel mensen in deeltijd werken heeft ruim 60 procent van de bevolking werk.

De kritische kanttekening in de Macro Economische Verkenning over de arbeidsproduktiviteit contrasteert sterk met de opgetogenheid waarmee het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze macro-economische grootheid benadert. Een achterblijvende produktiviteitsstijging hoeft volgens minister Melkert helemaal niet te betekenen dat de concurrentiepostitie van Nederland zwakker wordt. Sinds 1975 is de arbeidsproduktiviteit per uur in Nederland hoger dan in welk land ook, dus een verlaging is volgens Sociale Zaken acceptabel. Want zolang de produktie maar voldoende blijft groeien stijgt ook bij een lagere arbeidsproduktiviteit per werknemer het aantal banen , zo redeneert Sociale Zaken. En naar wie gaan die nieuwe banen: naar mensen met een uitkering. Daardoor wordt volgens Melkert de basis voor belasting- en premieheffing verbreed, terwijl er tegelijkertijd minder uitkeringen nodig zijn. Oftewel: meer mensen hoeven minder af te dragen. Door de lagere premies worden werknemers goedkoper, waardoor de prijzen van produkten naar beneden kunnen, de Nederlandse werknemer aantrekkelijk wordt voor buitenlandse investeerders en de concurrentiepositie verbetert.

Het Planbureau en Sociale Zaken komen langs totaal verschillende wegen uit op hetzelfde: een verbetering van de economische positie van Nederland in de wereld. Het CPB kiest voor een zo hoog mogelijke arbeidsproduktiviteit, waardoor de loonkosten per eenheid laag blijft. Sociale Zaken wil een lagere arbeidsproduktiviteit accepteren als het maar banen oplevert, vooral goedkope banen aan de onderkant. Die verlaging wordt immers ruimschoots gecompenseerd door de lagere belastingdruk. Het is de spanning tussen deze twee invalshoeken die in de Miljoenennota als de belangrijkste uitdaging wordt genoemd, niet alleen voor Nederland, maar voor heel Europa.

Het kabinet meende een deel van de oplossing te hebben gevonden door de arbeidskosten te verlagen ten koste van een stijging van de BTW. Het CPB rekent bijna achteloos met deze aanpak af. De gedachte van onder meer staatssecretaris Vermeend (Financiën) was dat zo'n verschuiving werkgelegenheid zou opleveren. Het Planbureau geeft hem daarin gelijk, maar alleen als uitkeringsgerechtigden bereid zijn koopkracht in te leveren. Wat is de redenering van het CPB? Van een verlaging van loon- en inkomstenbelasting profiteren alleen mensen met een baan. Werkgevers profiteren ook, want de arbeidskosten dalen, waardoor de werkgelegenheid enigszins kan toenemen. De keerzijde is dat deze verlaging ongedaan wordt gemaakt door een verhoging van de BTW. Het aantal mensen dat aan die verhoging moet meebetalen is aanzienlijk groter. Elke consument moet immers BTW betalen, dus ook de uitkeringsgerechtigde die helemaal niets met loon- of inkomstenbelasting te maken heeft en dus ook niet heeft geprofiteerd van een verlaging ervan. Zijn koopkracht gaat dus omlaag.

Geconfronteerd met een verlies aan koopkracht zal de uitkeringsgerechtigde zich zeker afvragen: “Waar blijft het werk?”