Links of rechts: lood om oud ijzer

Volgend jaar geeft de overheid 365 miljard gulden uit voor zorg, sociale uitkeringen en diverse collectieve voorzieningen, variërend van onderwijs tot defensie. De overheidsuitgaven zijn in 1997 gelijk aan 53 procent van de waarde van de nationale produktie (690 miljard gulden).

Deze 'uitgavenquote' maakte in de afgelopen kwart eeuw een geweldige slingerbeweging. In 1973 trad het meest linkse kabinet van na de oorlog aan, onder leiding van premier Den Uyl. De uitgavenquote stond toen op 48. Nog geen tien jaar later piekte de uitgavenquote boven de 66 procent van de nationale productie. Het eerste kabinet-Lubbers verzette na 1982 de bakens. Sindsdien is een lange reeks soms pijnlijke bezuinigingsmaatregelen getroffen. In de loop van de tijd werd de uitgavenquote weer dertien punten omlaaggedrukt. Vooral burgers die voor hun inkomen van de overheid afhankelijk zijn - ambtenaren en uitkeringsontvangers - waren slachtoffer van het saneringsbeleid. De harde ombuigingsmaatregelen hadden wel succes. Inmiddels is de omvang van de collectieve sector in Nederland vergelijkbaar met die bij de oosterburen.

Wanneer de uitgaven dalen, vermindert het tekort bij de overheidsuitgaven en kunnen ook de belastingen omlaag. In het begin van de jaren tachtig kende Nederland een torenhoog tekort, ter grootte van negen procent van de nationale produktie. Tegen het midden van de jaren negentig is het tekort teruggebracht tot minder dan drie procent. Hoewel niemand het wil geloven, tonen statistische gegevens onomstotelijk aan dat ook het belasting- en premiepeil na 1982 aanzienlijk is gedaald. Het lastenpeil zakte van 48 tot 42,5 procent van de nationale produktie.

Vijftien jaar Haags bezuinigingsbeleid en matigingsbereidheid van de Nederlandse werknemers dragen nu vruchten in de vorm van een gunstige ontwikkeling van de nationale economie. De voorspoedige gang van zaken in ons land wekt openlijke jaloezie bij de Europese buren, waar de loonkosten hoog zijn opgelopen en noodzakelijke ombuigingen op fel verzet stuiten. Politiek-institutionele verschillen blijken van belang te zijn voor het succes dat landen behalen bij de sanering van hun openbare financiën. Noem het gevoerde begrotingsbeleid succesvol, wanneer een land binnen vier jaar zijn 'schuldquote' met vijf punten of meer weet te drukken. Om begrotingstekorten weg te werken en de schuldquote te verlagen kan een minister van Financiën de belastingen verhogen of de overheidsuitgaven verlagen. Het opschroeven van de belastingen blijkt geen succesvolle strategie te zijn. Dit toonden de economen Alesina en Perotti vorig jaar aan in het blad Economic Policy. Alleen wanneer het mes in de uitgaven gaat, worden op korte termijn duidelijke resultaten geboekt. Vooral bezuinigingen op uitkeringen en subsidies en op door de overheid betaalde salarissen zijn effectief. Het beleid faalt wanneer deze uitgavencategorieën buiten schot blijven, en bijvoorbeeld alleen investeringsuitgaven het loodje leggen.

Gemeten aan de norm van Alesina en Perotti is het Nederlandse beleid mislukt. In 1982 bedroeg de schuldquote 56 procent van de nationale produktie. De afgelopen vijftien jaar liep de schuldquote aanvankelijk nog op tot 80. Pas sinds kort daalt de quote wat, tot 76 procent in 1997. Na het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers heeft Nederland bijna vijftien jaar nodig gehad om bij de overheidsfinanciën orde op zaken te stellen. Het gevoerde beleid bevestigt wel een andere conclusie van Alesina en Perotti. Meer dan de helft van de daling van de uitgavenquote met dertien punten is bereikt door de uitgaven voor ambtenarensalarissen in te perken en de sociale uitkeringen te versoberen. Misschien kostte de sanering van de collectieve sector zo veel tijd, omdat Nederland altijd een coalitieregering heeft. Samenwerking is moeilijker naarmate het aantal partijen in een regeringscombinatie toeneemt. De verschillende partijen zijn immers geneigd hun veto uit te spreken over bezuinigingen of lastenverzwaringen die hun eigen achterban in het bijzonder zullen treffen. Alesina en Perotti vonden inderdaad dat coalities in het algemeen weinig succesvol zijn bij de sanering van de overheidsfinanciën.

De meest opvallende uitkomst van hun onderzoek is wel dat linkse en rechtse regeringen ongeveer even goed zijn in het voeren van bezuinigingsbeleid. Ook dit wordt bevestigd door de Nederlandse ervaring. Onder het kabinet-Den Uyl steeg de uitgavenquote met zeven punten (van 48 tot 55). Daarna liet het CDA/VVD-kabinet onder leiding van Van Agt en Wiegel de begrotingsdiscipline volledig verwateren. In amper vijf jaar tijd vloog de uitgavenquote met meer dan tien punten omhoog, tot 66. Uit protest trad minister van Financiën Frans Andriessen (CDA) in 1980 af.

Het jaar 1982 vormde een keerpunt. CDA en VVD brachten de quote in de periode tot 1990 eendrachtig met zeven punten omlaag, daarbij overigens geholpen door het krachtige economische herstel uit de tweede helft van de jaren tachtig. Vervolgens nam een CDA/PVDA-combine het estafettestokje over. In 1994 lag de uitgavenquote weer twee punten lager op 57. Het paarse kabinet zet een reuzenstap: volgend jaar tuimelt de uitgavenquote omlaag tot 53. Opnieuw helpt de economische groei hierbij een handje. Naarmate bij een gegeven uitgavenpeil de nationale produktie het bedrag onder de breukstreep sneller toeneemt, pakt de quote lager uit ('noemereffect').

De sterke oploop en de daaropvolgende indrukwekkende daling van de uitgavenquote vonden in de periode 1973-1997 plaats, ongeacht de kleur van de coalitie. Toen de confessionelen het politieke machtsspel in Den Haag nog domineerden, stelden zij: regeren met PVDA of VVD is lood om oud ijzer. Die bewering wekte uiteraard de woede van sociaal-democraten en liberalen. Maar de confessionelen hebben van de recente financieel-economische geschiedenis wel gelijk gekregen.