Financiën; Overheidsschuld daalt voldoende voor EMU

Het tekort van de overheid daalt volgend jaar van 2,6 naar 2,2 procent van het bruto binnenlands produkt. De schuld, uitgedrukt als percentage van het binnenlands produkt, daalt van 78,8 tot 76,2. Op basis van deze begroting kan Nederland toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU), schrijft de Raad van State in zijn advies over de Miljoenennota 1997.

De EMU-schuld daalt met 2,6 procentpunt. Volgens minister Zalm (Financiën) heeft 1,5 procent daarvan een structureel effect. Het restant betreft een eenmalige korting van de staatsschuld.

Aan het begin van deze kabinetsperiode heeft de regering een plafond vastgesteld voor de totale uitgaven van de overheid verdeeld naar rijksoverheid, sociale zekerheid en zorgsector. In 1997 blijven de rijksuitgaven en die van de sociale zekerheid respectievelijk 0,9 en 2,6 miljard gulden onder het maximum. De uitgaven in de zorgsector overschrijden het plafond met 0,3 miljard. Dit kan dus worden gecompenseerd met een 'meevaller' bij de sociale zekerheid.

De financieringsbehoefte van het rijk wordt geraamd op 33,5 miljard gulden. Dit bedrag zal op de kapitaalmarkt worden geleend. Vanaf het begin van de jaren tachtig heeft het rijk altijd relatief veel geleend in de eerste helft van het jaar. Beleggers zijn namelijk op de hoogte van de financieringsbehoefte van het rijk. Wanneer de Staat aan het eind van het jaar dus relatief veel geld zou lenen, kunnen de 'geldgevers' hun rente verhogen. De internationale kapitaalmobiliteit creëert de mogelijkheid om ook later in het jaar geld te lenen zonder dat de rente stijgt, vindt Zalm. Het rijk lost in 1997 relatief weinig af. Dat komt doordat er in de periode 1986-1988 weinig staatsleningen zijn uitgeschreven met aflossingen in dit en volgend jaar.

In een toelichting op zijn begroting kondigde minister Zalm voor eind dit jaar een nota aan over de kapitaaldienst. De begroting wordt dan gesplitst in lopende uitgaven (salarissen van ambtenaren en subsidies) en investeringsuitgaven. Een groot probleem daarbij is de definiëring van investeringen. Is geld uitgeven voor onderwijs een investering? “Als we een uitgave niet op de staatsbalans kunnen activeren is het geen investering”, definieerde Zalm.

Staatssecretaris Vermeend (Financiën) gaat onderzoeken hoe 'een nieuw belastingconcept voor de 21e eeuw' er het beste kan uitzien. Volgens Vermeend valt met het huidige stelsel nog slechts geringe winst te boeken als het gaat om vereenvoudiging en het verbeteren van de fiscale concurrentiepositie. Het onderzoek sluit aan bij een Europees onderzoek waarbij de mogelijkheden worden verkend om de belasting op arbeid te verlagen en die op consumptie te verhogen.

Dit jaar brengen de indirecte belastingen (bijvoorbeeld BTW) meer op dan de directe belastingen op inkomen, winst en vermogen. Volgens de Raad van State mag “de architectuur van ons belastinggebouw niet zo sterk worden aangetast” omdat een te sterke verschuiving van directe naar indirecte belastingen “onwenselijke gevolgen voor de inkomensverdeling” heeft.

Vermeend en staatssecretaris Van de Vondervoort (Binnenlandse Zaken) concluderen in de nota 'Lokale Lastendruk' dat de inkomensverdeling wordt gefrustreerd door lokale politici. Stijgende lokale lasten hebben direct invloed op de koopkracht van burgers. De afgelopen jaren zijn deze lasten met name gestegen door forse verhogingen van de lokale milieuheffingen. De uitbreiding van de milieuregelgeving heeft tot kosten geleid voor gemeenten die zij via lokale heffingen voornamelijk op burgers en bedrijven verhalen. De opbrengst van de gemeentelijke heffingen is gestegen van 5,4 miljard gulden in 1990 tot 9,2 miljard gulden in 1996.

Het kabinet-Kok wil meer greep krijgen op de gemeentelijke belastingen en heffingen, waarbij “de autonome positie van gemeenten het uitgangspunt is van het kabinet”. Ook moeten de verschillen tussen de gemeenten onderling kleiner worden. Het kabinet vindt dat burgers meer mogelijkheden moeten hebben om hun afdrachten te beïnvloeden. Gemeenten worden gestimuleerd om onder meer de riool- en reinigingsrechten vaker te heffen via het principe 'de vervuiler betaalt'.