Elk geluid plantte zich voort

Mensen over de vloer. Wonen in de 19de-eeuwse Da Costabuurt in het Amsterdams Historisch Museum. T/m 27-10. Ma t/m vrij van 10.00-17.00u; za en zo van 11.00 tot 17.00u. Inl. 020-5231822.

De wijk heeft niet de roem van de Pijp of de Jordaan, ze is in niets te vergelijken met de Concertgebouwbuurt of een van de Amsterdamse Eilanden, toch is de Da Costabuurt voor velen een onmisbare, onvergetelijke hoek van de stad. Net als in de Pijp zijn de huizen er hoog en donker, vormen de straten smalle diepe sleuven en is, bij duisternis, de verlichting afkomstig van aan kabels hangende lampen die bij wind bewegen zodat het licht over de strenge gevels waait. De woningen zijn klein. In de loop van de eeuw heeft elke verdieping een bijna eindeloze reeks van bewoners geteld.

De Amsterdamse Da Costabuurt is omsloten door grachten; de Singelgracht en de Da Costagracht, de Hugo de Grootgracht en het Van Lennepkanaal. Bomen overschaduwen het Da Costaplein, het enige plein van de buurt. Vroeger, zo'n vijftien jaar terug, was daar een boekhandel gevestigd maar die is verdwenen. Naar de kruidenier op de tegenoverliggende hoek bracht ik jarenlang mijn geld; ik keerde terug met groente en fruit, brood en beleg, pakken melk, flesjes bier.

Het Amsterdams Historisch Museum heeft met de tentoonstelling Mensen over de vloer de stille buurt tot leven gewekt. Voor degene die ooit in een van die smalle, gehorige huizen aan een van de straten ervan woonde, is de expositie een feest van herkenning. Mij overviel ook verbijstering. Bijna tien jaar lang - nu ik terugblik lijkt het onvoorstelbaar - woonde ik in zo'n achterkamer aan de Nassaukade. Niet meer dan vijf bij zes meter; een wastafel met alleen koud water. Geen douche. Om te baden was ik op fluitketeltjes warm water aangewezen die ik, staand in een afwasteil, boven mijn hoofd uitgoot. Of ik ging naar het, allang geleden gesloopte, badhuis aan de Da Costakade voor een 'stortbad' van ƒ 1,75. In de keuken een granieten aanrecht waar dwars over de lengte een barst doorheen liep. Mijn hospita, die aan de voorzijde woonde, had over de keukentafel een kleed met bloemmotieven gelegd; daaroverheen kwam een plastic kleed, op zijn beurt beschermd door een plastic sierkleed. Daarop stonden dan de pannenonderzetters, voorzien van een gehaakt kleedje. Als zij baadde in de keuken ging de glazen tussendeur dicht; op slot kon niet. Al snel besloeg het glas, zodat het leek of een tovenares, omhuld door stoomwolken, geheime gerechten in een reusachtige, sissende ketel bereidde.

Het Amsterdams Historisch heeft zo'n interieur nagebouwd. Van geen enkel huis waarin ik ooit woonde zijn de verhoudingen me zo vertrouwd. De schuifdeuren gaven toegang tot de alkoof, die volgestouwd was met meubilair. Ooit sliepen in die donkere vierkante en benauwde ruimte, niet meer dan een grote kast, kroostrijke gezinnen. Op de Nassaukade drie hoog was de alkoof een soort geluiddemper tussen mijn halve woning en die van de hospita. De kamer zelf had openslaande deuren naar het balkon. Keek ik naar buiten, dan zag ik de achterkant van de huizenrij aan de Da Costastraat. De eeuwig beslagen ramen van de keukens, de balkons met het witgeverfde houtwerk en de witte spijlen, de schuiframen, het bataljon schoorstenen op het grijze dak.

De Da Costabuurt werd aan het eind van de vorige eeuw gebouwd. De Amsterdamse stadsarchitect Kalff waagde 'de sprong over de Singelgracht' en ontwierp de wijken die aan de buitenzijde van Het Singel liggen. Tot in 1875 liep hier, eeuwenlang, de grens van Amsterdam. De kwaliteit van de huizen was berucht. Elk geluid van de buren plantte zich door de flinterdunne muren en plafonds heen. Sommige huizenblokken stortten al in voordat ze waren opgeleverd. Waar voorheen weilanden lagen doorkruist door kaarsrechte sloten, waar molens draaiden en waarheen schilders als Jan Sluijters (van wie een klein, heftig gepointilleerd doek uit 1907 op de expositie hangt) en Piet van Wijngaerdt trokken om en plein air te werken, verrezen die naargeestige huizenblokken.

De mensen woonden niet alleen op de vier verdiepingen die de huizen tellen, ze woonden ook boven op de zolder of in de kelder. Zou de gedichtenbundel Van de afgrond en de luchtmens van Lucebert geschreven zijn in zo'n woning in Amsterdam Oud-West, want waar anders dan daar kun je hoog tegen het blauw of grijs van de hemel wonen of diep in het vochtige moeras van een kelderwoning?

De huizen hebben het, ondanks de staat van bouwval waarin ze van meet af aan verkeerden, lang uitgehouden. Van één huis, Da Costastraat 123, hebben de conservatoren van het museum een 'tijdsbalk' gemaakt. Sinds de bouw ervan in 1882 tot aan de sloop in 1993 hebben ze de namen van de bewoners opgespoord, het beroep dat ze uitoefenden, hoe lang en, eventueel, met hoeveel kinderen ze op dat adres verbleven. In die honderdelf jaar is er een onophoudelijk komen en gaan geweest; op het laatst vonden er vooral studenten en buitenlandse gezinnen onderdak. De mannen uit het verre verleden, toen de huizen net waren gebouwd, hadden eenvoudige beroepen als koetsier, wijnkopersknecht of timmerman.

Behalve foto's uit het archief, stadsplattegronden, schilderijen en bouwtekeningen, komen de mensen van toen ook aan het woord. Hun herinneringen aan het leven in de Da Costabuurt doen ons beseffen dat de tijden voorgoed veranderd zijn, en dat met het oprooien van de oude huizen er ook een leefstijl is verdwenen waarin het woord 'buren' een wezenlijke rol speelt. Vooral het schoonhouden van het gemeenschappelijke trappenhuis was een bron van onenigheid of juist een bewijs van saamhorigheid: “De opvattingen van mijn buurvrouw en mij over wat schoon was verschilden nogal. Ik ben een huisvrouw van niks en zij leed aan smetvrees.” En: “Het trappenhuis was verschrikkelijk smerig en ook de zolder was een enorme puinhoop. Er stonden spullen van wel 15 bewoners terug.” Voor sommige oud-bewoners zal de tentoonstelling geen nostalgie oproepen: “De buurt was niets en de trap was niets, één doffe ellende. Beneden me woonde een oud mens dat iedereen het leven zuur maakte.”

Ik zal niet de enige zijn die, komend uit de provincie, in een wijk als de Da Costabuurt zijn inwijding kreeg in het Amsterdamse wonen.