Elektronische veemarkt vervangt handjeklap

ZWOLLE, 17 SEPT. Het handjeklap op de veemarkt, een duizend jaar oude handelsvorm in Nederland, zal naar verwachting goeddeels verdwijnen nu de Groep Nederlandse Veemarkten heeft gekozen voor een 'elektronische veemarkt'. Medio volgende maand kunnen handelaar en boer hun zaken doen op Internet, zo luidt de verwachting van Gosse Boonstra van de Zwolse veemarkt.

De Groep Nederlandse Veemarkten ontwikkelt een elektronische databank waar vraag en aanbod van vee op moderne wijze worden gekanaliseerd. “Daarbij blijven de bestaande handelsstructuren en de concurrentie natuurlijk volledig behouden”, zegt Boonstra. “Maar duidelijk is dat nu de prijzen op een dieptepunt zijn, het zoeken naar innovatie een absolute noodzaak is.”

De elektronische veemarkt, waaraan in eerste instantie de veemarkten van Zwolle, Leeuwarden, Utrecht, Leiden en Den Bosch meedoen, is toegankelijk voor elke boer en veehandelaar, die per brief, telefoon, fax of via Internet zijn aanbod of belangstelling kenbaar maakt.

In de Middeleeuwen had vrijwel elke stad en elk dorp een veemarkt waar runderen, schapen, geiten en paarden in alle vroegte van eigenaar verwisselden. Tot begin 1900 is er aan die handel niets gewijzigd. Daarna werden de resterende veemarkten overdekt voor het comfort van mens en dier. Tegelijk kromp het aantal veemarkten flink in. “Maar de karakteristieke handel van handjeklap en daarna 'een-man-een-man-een-woord-een-woord', gevolgd door 'boter bij de vis' bleef”, zegt Boonstra.

Eind jaren tachtig werd de boer op de veemarkt met 'een boek geld' in zijn binnenzak een zeldzaamheid door de toenemende onveiligheid. De banken ontwikkelden speciaal voor de veemarkt de 'veemarktcheck', die in 1989 werd geïntroduceerd. Sindsdien is ook 'telebanking' in zwang gekomen en langzamerhand schudt de markt de sporen van het verleden van zich af. “Daarbij komt”, zegt Boonstra, “dat we een fors deel van de markt voor gebruiksdieren zijn kwijtgeraakt. Wat overblijft zijn voornamelijk slachtdieren. De handel in gebruiksdieren gaat meer en meer buiten de veemarkt om. Van die markt willen we weer een deel terug.”

Een aantal oorzaken heeft het belang van de veemarkt kleiner gemaakt. Door de ruim tien jaar geleden ingevoerde superheffing is de veestapel flink geslonken. Veehouders zijn bovendien mobieler geworden en gaan zelf op zoek naar goed gebruiksvee.

Daarnaast is de communicatie verbeterd, zodat boeren en handelaren gemakkelijker - buiten de markt om - met elkaar in contact komen. Boeren en handelaren nemen ook in aantal af, waardoor de grotere bedrijven overblijven die elkaar gemakkelijk weten te vinden. Door het toenemend aantal bedrijfsbeëindigingen zijn frequente veilingen een serieuze concurrent van de veemarkt geworden. Ten slotte is de angst merkbaar dat door het bij elkaar brengen van dieren ziekten worden overgebracht. “Daar heeft de recente affaire rondom de gekke-koeienziekte geen goed aan gedaan”, zegt Boonstra.

Boonstra wijst er op dat de elektronische veemarkt nu ook weer niet zo'n spectaculaire noviteit is. In andere landen gebeurt het elektronisch veilen al, zij het op bescheiden schaal. In Australië bestaat een systeem waarbij onafhankelijke inspecteurs vee kwalificeren. De informatie wordt in de computer ingebracht en vervolgens kan de geïnteresseerde met bieden beginnen. Die manier van werken heeft het voordeel dat boeren en handelaren niet van de ene kant van het continent naar de andere hoeven te komen, terwijl ze toch een beeld hebben van het nationale aanbod.

In 1989 was er in Nederland een satellietveiling, waarbij fokmateriaal van drie continenten tegelijk werd aangeboden. Maar de verbindingskosten waren zo hoog dat het tot een eenmalig evenement beperkt bleef.

Internet is een goed handelsplatform, omdat de verbindingskosten op het niveau liggen van een lokaal telefoongesprek. De handel kan zo nationaal worden gedreven, maar ook internationaal. Buitenlandse partijen kunnen meespelen op de Nederlandse markt en andersom. “Op dit ogenblik doen steeds meer boeren zaken met één enkele afnemer, maar helemaal niet duidelijk is of de boer daarbij de beste prijs voor zijn vee krijgt. Die zou heel goed veel hoger kunnen blijken te liggen als het bieden via Internet gaat.”

Boontra wijst er tevens op dat het raadplegen van Internet niet aan dag of nacht en evenmin aan een plaats gebonden is. Het is dus mogelijk om op afstand actuele informatie te krijgen over markt- en prijsontwikkelingen en over het nieuws dat zich afspeelt op de veemarkten.

De boer die een rund aanmeldt op 'het net' hoeft niet te betalen. Dat aanmelden hoeft overigens niet via de computer, maar kan ook per brief of fax, zodat de veemarkt het aanbod kan invoeren in de databank. Staat het dier op het net, dan zullen verscheidene handelaren hun belangstelling tonen en dient zich vanzelf de hoogste bieder aan.

De handelaren die van de databank gebruik maken worden wel geregistreerd en betalen een jaarlijkse vergoeding. De boer kan er dus van verzekerd zijn dat zich niet allerlei 'cowboys' op de markt begeven, maar uitsluitend serieuze kopers.

De handel op zijn beurt kan ook - door het stellen van bepaalde criteria - een snelle selectie maken, temeer omdat de boer al een richtprijs heeft aangegeven. De handel hoeft ook niet meer stad en land af te rijden, maar kan gericht op bezoek gaan bij boeren die hun aanbod al kenbaar hebben gemaakt op de 'site' van Internet. Voorlopig gaat het om een experiment, maar mocht het slagen dan zal de veemarkt op termijn 'per opgevraagd dier een vergoeding gaan vragen' bij de handel.

Voorlopig richt de 'koeienbank' zich - zoals de naam al zegt - alleen op runderen en niet op schapen, geiten en enkele paarden. “Maar het kan best zijn dat die er bij komen,” zegt Boonstra. Daarnaast zou de elektronische handel zich ook kunnen uitstrekken tot ruwvoer en mest.

Voorlopig zal de 'fysieke' veemarkt echter nog wel blijven bestaan, meent Boonstra. “Het initiatief wordt niet echt met gejuich ontvangen, maar er zijn ook boeren, die meteen zeggen eraan mee te doen. Het is een kwestie van wennen. De veemarkt zelf heeft natuurlijk ook een sociale functie. Die zal naar mijn overtuiging nog lange tijd blijven bestaan.”