De vrieskracht van voortvarend 'paars'

Het paarse kabinet toont zich in zijn vandaag gepresenteerde derde begroting nogal ingenomen met zichzelf. Maar achter die façade van tevredenheid schuilt volgens C.J.M. Schuyt veel onvermogen.

Want ondanks de schijn van voortvarendheid ziet 'paars' geen kans tot noodzakelijke vernieuwing op cruciale beleidsterreinen, zoals verkeer, milieu en sociale zekerheid.

Het nieuwe is er af, maar het oogt nog steeds goed. Het paarse kabinet presenteert zijn derde begroting vol zelfvertrouwen. Het gaat redelijk tot goed met de economie en Nederland zal zich als een van de eerste en ijverigste leerlingen van de Europese klas kwalificeren voor toetreding tot de Europese en Monetaire Unie (EMU) in 1998. Een historische gebeurtenis, waarvan de consequenties (onder andere invoering van de euro) nog niet helemaal tot de burgers doodringen. Het financieringstekort blijft het komend jaar weliswaar gelijk (2,8 procent), maar is aanvaardbaar en onder het afgesproken niveau.

De ontspannen houding waarmee de minister van Financiën zijn werk doet en nu deze Miljoenennota presenteert, is kenmerkend voor de hele regering. Onder leiding van een beste voorzitter gaan ze nog steeds fris, zakelijk en soepel met elkaar om en het is geen wonder dat deze ploeg zelf graag nog een kabinetsperiode door wil gaan.

Het lijkt er op alsof 'de ontspannen samenleving', waar men ten tijde van het kabinet-Den Uyl zo deerlijk naar op zoek was, nu werkelijkheid wordt. Een tevreden kabinet vindt zijn weerspiegeling in een in meerderheid niet ontevreden morrende bevolking. De welvaart groeit weer met tweeëneenhalf procent en de scherpste kanten van de massale werkloosheid en de even massale criminaliteit lijken af te slijten. Zo bezien heeft het paarse experiment de wind in de zeilen.

En toch beweegt er iets niet. De Miljoenennota stelt terecht dat er lange-termijnbeleid moet worden gevoerd. Men moet zich dus de vraag stellen of 'paars' de manier is waarop de herinrichting van Nederland voor de eerste decennia van de 21ste eeuw gestalte zal krijgen. Krijgt deze de juiste vorm en vaart met de ideologische mix van individualisering, flexibilisering, versterking van de ruimtelijke en economische infrastructuur, privatisering van onderdelen van de sociale zekerheid met gelijktijdige handhaving van koopkracht, koppeling en 'hoogte en duur van de sociale uitkeringen'? Sluimeren of broeien er onder de oppervlakte van de samenleving niet velerlei zaken, die om andere, misschien zelfs hardere ingrepen en maatregelen vragen. Het Sociaal en Cultureel Rapport 1996 toonde een grotere bezorgdheid om de toekomst.

Kortom: is de tevredenheid terecht, is het ideologische draagvlak van paars voldoende en staan ons straks nog onaangename maatschappelijke verrassingen te wachten? Deze vraag lijkt mij cruciaal voor een beoordeling van de huidige Miljoenennota. Ik zal proberen die vraag te beantwoorden zowel door de belangrijkste beleidsvoornemens te confronteren met andere opties, alsook door kort in te gaan op de ideologie van het individualisme, die als een dunne draad de paarse coalitie verbindt.

Veel thans aangekondigde beleidsvoornemens liggen in de lijn van het al lopende beleid. Weer een paar kleine stapjes in de beoogde richting. Een paar voorbeelden: verhoging arbeidskostenforfait met twee procent, uitbreiding van experimenten met persoonsgebonden budget, eigen bijdrage tot tweehonderd gulden in ziekenfonds, specialistenkosten in instellingsbudget, verhoging tabaksaccijns, oprichting technologische topinstituten, uitbreiding klasse-assistenten in het basisonderwijs, herschikking gelden voor toponderzoekscholen, twintig miljoen om de vergrijzing in het wetenschappelijk onderwijs tegen te gaan (Ritzen-hoogleraren) etcetera.

Allemaal heel redelijke en nuttige beleidsvoornemens, waar iedereen goed mee kan leven. Hiervoor hoefden de paarse bewindslieden niet rollend en vechtend met elkaar over straat, zoals dat bij andere kabinetten gebruikelijk was. Er zijn echter ook grotere en zwaardere beleidsvoornemens, zoals de versterking van de ruimtelijke-economische structuur, de bestrijding van de verkeerscongestie in de Randstad, de herinrichting van het stelsel van sociale zekerheid, in het bijzonder de AOW, de wettelijke regeling van de opsporingsmethoden naar aanleiding van de IRT-enquête en het grote stedenbeleid. Bij deze onderwerpen worden de voornemens meteen heel wat vager, of ze worden aangekondigd, maar nog niet geformuleerd. Bij nog weer een ander beladen onderwerp wordt aangekondigd dat er volgend jaar een commissie aan het werk zal gaan, met name om te bezien of het belastingstelsel wel adequaat is voor de 21ste eeuw.

Achter de ogenschijnlijke harmonie en tevredenheid van dit paarse kabinet gaat iets anders schuil, dat ik de vrieskracht van paars zou willen noemen: waarover hevig getwist zal worden, daarover zal men zwijgen.

Neem de kwestie van de belastingen, de economische structuur en de sociale zekerheid. Men kan deze drie natuurlijk samen nemen en in verband brengen met de problematiek van de werkgelegenheid. De Sociale Nota 1997 stelt tevreden vast dat het goed gaat met de werkgelegenheid (100.000 banen erbij vorig jaar), dat voor het eerst het totaal aantal uitkeringsgerechtigden gedaald is en zelfs het aantal langdurig werklozen afneemt.

Maar elders leest men dat de particuliere investeringen en de overheidsinvesteringen achterblijven, dat het investeringsklimaat veel beter moet, dat aanpassing van belastingtarieven in relatie tot de concurerende landen hard nodig is en dat tot het jaar 2005 jaarlijks zo'n 75.000 jonge mensen zich zullen aandienen om een baan te willen. Ten aanzien van de toekomstige werkgelegenheid kan men dus helemaal niet gerust zijn.

Er zijn in Nederland de laatste jaren maar heel weinig nieuwe industrieën bij gekomen. Het paarse kabinet kiest voor de weg van belastingverlaging, maar gaat voort met de moeizame weg van de arbeidsmarktprikkeling (waar ondernemingen meestal niet zo veel heil in zien). Het beleid dat gepresenteerd wordt oogt goed, maar het is werkelijk de vraag of dit het is wat onze samenleving voor de komende tien jaar echt nodig heeft.

Hoe komt dit nu? Hete hangijzers worden kennelijk kunstig weggemasseerd, onder leiding van een goede voorzitter. De ideologische spanningen worden in dit kabinet niet opgevoerd, maar handig afgevoerd. Pas als de notulen van de ministerraad voor historici beschikbaar komen, kan worden uitgemaakt hoe groot hierbij de rol is van de minister-president zelf.

Krijgen de tegenstellingen in de paarse coalitie in de keuzen voor beleid een kans om binnenskamers uitgevochten te worden of is het politieke evenwicht zó broos, dat er maar niet aan begonnen wordt? Dan toont zich naast de kracht van een binnenlandse ontspanningspolitiek meteen de grote zwakte van paars: ondanks de prettige stijl van de leider(s), de nieuwe zakelijkheid en de harmonie gebeurt er niet, wat er eigenlijk, gezien de ernst van de maatschappelijke situatie zou moeten gebeuren. De echte doorbraken in beleid worden voor jaren 'bevroren'.

Zo blijven op analoge wijze op nog andere cruciale beleidsterreinen radicaal noodzakelijke maatregelen uit. Zal de verhoging van benzine-accijns werkelijk de beoogde gedragsbeïnvloeding met zich meebrengen, die nodig is om de congestie in de Randstad te verminderen?

Moeten we eigenlijk wel met volle vaart doorgaan met meer auto's, wegen, vliegverkeer, mobiliteit? That's the question. Een dringende maatregel voor de komende twintig jaar zou precies het omgekeerde kunnen zijn van wat nu zo populair is. Het lokale moet thans allerwege worden opgenomen in en aan het globale, het mondiale. Een 'moderne' oplossing zou zijn: denk aan de wereld, blijf thuis; think global, act local.

De brief over de versterking van de ruimtelijk economische structuur en de investeringen in de toekomst, getekend door de ministers Wijers (Economische Zaken), De Boer (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) en Van Aartsen (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), staat vol dilemma's, maar ook bol van verbale compromissen en niet gemaakte keuzen.

Ik citeer: “Een van de meest indringende keuzevraagstukken betreft de ruimtelijke inrichting van het Westen van ons land: de voortdurende spanning tussen het accomoderen van verstedelijking en het benutten van economische potenties enerzijds en het bewaken van open groene ruimten anderzijds.” Leest men hier nu een verdere opoffering van de natuurlijke ruimte (economische potenties) of een modern 21ste eeuws milieubeleid?

Paars is een ernstige hartpatiënt: men moet zowel een verkeersinfarct vermijden, alsook het groene hart bewaken. Dat kan niet allebei tegelijk, maar men doet voorlopig onderkoeld en trots alsof men alles onder controle heeft. Ik vermoed dat de bewindslieden zich ernstig vergissen.

In de analyse van het paarse beleid komen zo ook andere tekorten naar voren. De voor de toekomstige economie zo doorslaggevende nieuwbouw van de kennisinfrastructuur (lees: scholing en creativiteit) wordt ernstig belemmerd door het huidige onderwijsbeleid. Ook hier moeten radicalere keuzen gemaakt worden. Misschien moeten er wel drie universiteiten verdwijnen om met de vrijkomende gelden in 2010, vermoedelijk vijftien jaar te laat, een spitsindustrie tot bloei brengen. Jonge mensen moeten gestimuleerd worden in plaats van geïntimideerd door een student-vijandig beleid (ook als je heel goed bent, kun je geen medicijnen studeren; je bent een consument, die zo snel mogelijk alles moet slikken; elke fout die je maakt, kost je punten en daar moet je veel geld voor betalen).

De herinrichting van de sociale zekerheid vertoont eenzelfde ambivalentie. Aan de ene kant zo veel mogelijk overhevelen naar de particuliere sector, maar aan de andere kant vasthouden aan een aanwijzende rol van de overheid. De beleidsvoornemens ten aanzien van de AOW zijn hiervoor kenmerkend. De maatschappelijke situatie van ouderen is thans geheel anders dan toen het stelsel in 1958 in zijn volheid werd opgetuigd.

Het aantal mensen dat recht heeft op AOW zal in de komende vijftien jaar verdubbelen en zo een enorm beslag leggen op de collectieve lasten. Maar een flink deel van de huidige vroegbejaarden (65 en ouder) is veel bemiddelder dan hun ouders die van Drees moesten trekken (naast AOW, pensioenen, bezittingen en spaartegoeden).

Deze groepen kunnen met hun werkgevers flexibele en op de persoonlijke situatie toegesneden regelingen afspreken (vroeg- of laatuittreden, eind- of middelloon, hoge of lage premies en particuliere aanvullingen). Maar wat gaat er gebeuren met die andere bejaarden, die in de toekomst slechts over hun AOW kunnen beschikken, omdat ze vaak een niet normaal arbeidsverloop hebben gekend? Wat blijft er over van de AOW als hoeksteen van de samenleving?

Paars ziet geen kans om maatschappelijke vernieuwing aan te brengen, die voor de 21ste eeuwse samenleving nodig is. Ondanks de schijn van voortvarendheid, legt men de basis voor latere stagnatie. Ondanks het flexibele optreden, legt men de basis voor toekomstige intolerantie, met name wat betreft alles wat niet voldoet aan de succesformule van de moderne mens. Die formule luidt: nooit ziek, nooit kwaad, geen enkele handicap, 24 uur per dag in touw, geëmancipeerd, alles beheersend, alles begerend, mondiaal geverseerd, door iedereen geliefd en bewonderd. Het is de ideologische grondslag van een bepaald soort individualisme. Het kabinet-Lubbers I bracht in 1983 een schokeffect teweeg met zijn no-nonsensebeleid. Het moest het opnemen tegen een onwillig maatschappelijk klimaat en werd de eerste jaren nog geconfronteerd met veel economische tegenwind. Het no-nonsensbeleid van het kabinet-Kok I heeft het economisch tij mee en het maatschappelijk klimaat is langzamerhand zó bedrijfsgericht geworden, dat paars eerder modieus dan nieuw aandoet.

Overal wordt de zegenende werking van de markt verkondigd, ook voor plaatsen waar het op de lachspieren werkt: kleuterklassen, het wassen van bejaardenbillen, gevangeniscellen, bekeuringen, neo-latijnse letterkunde. Echter de 'pecuniarisering' van sociale relaties, die op geen enkele wijze als marktrelaties zijn te beschouwen, haalt het sociale cement weg uit vele instituties. Het werpt mensen terug op zichzelf en wat nog rest aan gemeenschappelijke inzet verschraalt.

De bedrijfsfilosofie van paars gaat gepaard met een uitgesproken ideologische voorkeur voor individuele verantwoordelijkheid. Het individualisme lijkt zelfs de noemer waarop de drie partijen elkaar gevonden hebben. Maar het is een glibberige noemer. Gaat het om een economisch individualisme, om een ontplooiingsideologie, om een democratisch-politiek beginsel? Gaat het in een samenleving om individuen of om groepen? Die keuze lijkt me volstrekt oneigenlijk. Van de eerste levensadem tot de laatste snik zijn mensen van elkaar afhankelijk, dus vooral in de eerste en de laatste levensfasen. Dit onomstotelijke feit hoeft natuurlijk niet te betekenen dat zij van de wieg tot het graf door de overheid verzorgd worden, maar het heeft wel veel consequentie voor de inrichting van een samenleving.

In een fascinerende studie Myths of modern individualism geeft de Britse letterkundige I. Watt een typering van het Westerse individualisme aan de hand van vier krachtige vertegenwoordigers: Faust, Don Quichotte, Don Juan en Robinson Crusoë. Watt herkent in hen veel constanten van de Westerse cultuur: de economist die niemand nodig zegt te hebben, de dwaze do-gooder, de geleerde die alles weet, maar niet weet waar te stoppen, de allesbegeerder. Ze zouden de schutspatronen van paars kunnen zijn. Alle aantrekkelijke en alle aanvechtbare kanten van het individualisme in één geheel verenigd. Individu tegenover samenleving. De conclusie die Watt trekt uit zijn zeer zorgvuldige bestudering van het wel en wee van deze vier mythen, is niet geheel geruststellend: “Today we are beginning to learn that the more society gives each of us what we want, the heavier will be the price we will have to pay for later; and part of the price is narcissism”.

Het individualisme zal geen inspirerende filosofie zijn, die mensen blijvend bindt. Het spreekt vooral de succesvollen aan, die vervolgens tegen elkaar opbieden en elkaar na praten hoe succesvol ze wel niet zijn. De samenleving valt langzaam onder hun gewicht uit elkaar.

Koningin Beatrix heeft in haar vier recent gebundelde toespraken Voor het behoud van de menselijkheid scherp onder woorden gebracht waar en waardoor de samenleving scheuren gaat vertonen en “uit elkaar dreigt te vallen”. De sociale cohesie wordt minder. In de concrete beleidsvoornemens van de Miljoenennota van dit jaar vinden we weinig sporen van deze bezorgdheid terug. Het grote-stedenbeleid en minderhedenbeleid raakt er aan, maar krijgt door de paarse vrieskracht te weinig tanden.

De derde paarse begroting geeft vooral een tevreden klopje op eigen schouder. Maar er zijn twee soorten tevredenheid: een voor als het zware werk echt geklaard is, de andere van het soort dat zegt: “Kijk ons het eens goed doen”.