De visie van twee schrijvers op twee naamloze vrouwen

Voorstellingen: Boelbal, geschreven door Gerardjan Rijnders. Spel: Heidi Arts; decor: Marcel Schmalgemeijer; regie: Kees Roorda. Vrouw Alleen, geschreven en geregisseerd door Don Duyns. Spel: Christine van Stralen; decor: Elian Smits. Gezien 14/9 Het Veem Theater, Van Diemenstraat 410, Amsterdam. Te zien t/m 24/9 aldaar. Inl.: 020-6260112.

Twee actrices, twee voorstellingen en twee tekstschrijvers: het Amsterdamse Veem Theater wijdt een avond aan twee naamloze vrouwen. Over haar schreef Gerardjan Rijnders de monoloog Boelbal, een verbastering van 'voetbal', en Don Duyns Vrouw Alleen.

Beide actrices treden op in een kale ruimte. Heidi Arts in Boelbal zit achter een zeer hedendaags vormgegeven tafel; ze omringt zich met voorwerpen als een blauw beertje, een wijnglas, flessen wijn, kranten, een mes. Zij praat tegen die objecten alsof ze haar dierbaarste vrienden zijn. Naast haar de telefoon: wanhopig wacht ze op het rinkelen ervan. Want dan belt haar geliefde. Arts speelt schitterend haar ontreddering, haar desolate wachten. Wie ooit zelf een telefoon smeekte over te gaan, zal heel dat scala van gevoelens herkennen: van dwingende blikken ('Jij rinkelt nu!') tot woede.

Christine van Stralen in Don Duyns' Vrouw Alleen doolt als een tijgerin heen en weer langs een bakstenen muur. De enige relatie die zij aangaat is met zichzelf, en niet met voorwerpen zoals Heidi Arts.

Flarden uit haar jeugd komen naar boven, bijvoorbeeld dat ze te lange en onhandige armen en benen had. Zij bevindt zich in een tijdeloze ruimte, waar maar één wet geldt: die van de vrije associatie van de schrijver. De voorstelling bestaat uit reeksen voorvallen en overwegingen uit haar leven.

Hoewel het niet eenvoudig is een harde kern in Duyns' vrije poëzie te vinden, die zoet-vloeiend en niet door rede gebonden lijkt te stromen, gaat deze monoloog over het vinden van de juiste levenshouding. De eenzame vrouw die Christine van Stralen uitbeeldt zoekt in al haar ontreddering de kracht om hoe dan ook houvast te vinden.

Dat levert een mooie scène op wanneer ze een neger op straat aanklampt en hem vraagt waar 'de soul' zit. Natuurlijk, daar waar zijn hart is.

Afgezien van een enkele scène schuilt er gevaar in de manier van schrijven van Duyns. Hij laat zich graag bedwelmen door zijn eigen, particuliere fantasieën. Als toeschouwer verloor ik, naarmate de tekst vorderde, steeds meer greep op de monoloog. Christine van Stralen gaf zich in haar spel volop, met energie en in een direct contact met het publiek, maar toch biedt de tekst ook haarzelf uiteindelijk te weinig houvast.

Gerardjan Rijnders daarentegen werkt steevast naar een dramatisch slot. Alleen al dat de telefoon het rinkelen in zich verborgen houdt, intrigeert. Uiteindelijk klinkt het bevrijdende belsignaal. Heidi Arts neemt op en zegt 'Yes. I promised.' De toeschouwer kan ernaar gissen hoe gelukkig ze is.

Ze verwisselt de telefoonhoorn met de glasscherven die ze in haar hand vasthoudt van het wijnglas, dat ze eerder kapotsloeg. Een bevrijdend en tegelijk beklemmend, veelbetekenend slot. Als een mooi raadsel.