De verwachtingen van Europa

Nederland gaat paradoxaal om met Europa. De Europese Unie moet beter functioneren, maar Den Haag wil er tegelijk minder middelen en autonomie voor afstaan. “Nieuw is dat we meer schelden op Europa en tegelijkertijd meer verwachten van Europa”, zei minister Van Mierlo eerder dit jaar in de Eerste Kamer.

Den Haag wil dat de Europese Unie zich grondig vernieuwt voordat nieuwe lidstaten toetreden. Het huidige beeld van de Unie is er een van stagnatie en onvermogen, meent Van Mierlo. Vorig weekend werd dat opnieuw duidelijk op een bijeenkomst in Ierland, waar de ministers van Buitenlandse Zaken het niet eens werden over een gezamenlijk standpunt inzake de Amerikaanse interventie in Irak. Van Mierlo noemt de EU economisch gezien een reus, maar politiek gezien een dwerg.

“Europa is ook een beetje de prullenbak geworden van onze nationale onmacht: werkloosheid en veiligheid.” Drie punten noemt hij bij de vernieuwing van de EU-structuur belangrijk: democratie, transparantie en het subsidiariteitsbeginsel (wat verdient een Europese aanpak en wat niet). En over Brussel zegt de regering dat de Unie slagvaardiger, flexibeler en tegelijkertijd doelmatiger moet functioneren. De Commissie moet de opdracht om de motor van de Unie te zijn duidelijker uitvoeren.

De regering kiest voor een zogeheten communautaire aanpak bij de hervormingen en niet voor een intergouvernementele. Het federale ideaal is nagenoeg opgegeven. Nederland is er voorstander van om een eigen man of vrouw in de Commissie te hebben, maar als er naar doelmatigheid wordt gekeken zou in de toekomst misschien enige flexibiliteit op dat terrein mogelijk moeten worden.

Onder voorbehoud wil Nederland deel uitmaken van een kopgroep binnen de Europese Unie, maar dat moet niet ten koste gaan van deelneming van een groter aantal leden. Andere landen moeten de kans houden om zich alsnog aan te sluiten.

De Commissie moet bij dat proces de 'krachten beheersen', zodat de vorming van een kopgroep niet 'verscheurend' werkt.

Als het om de tweede pijler van het verdrag van Maastricht gaat, het gemeenschappelijke buitenlandse- en veiligheidsbeleid, wil Nederland dat het vetorecht wordt opgeheven en dat over gezamenlijke standpunten ook beslist kan worden met een gedeeltelijke consensus of een meerderheid van stemmen.

Ook zou de Europese Commissie haar initiatiefrecht beter moeten benutten. Niet alleen op dit terrein maar op het gehele terrein van het externe optreden van de Unie wil Nederland dat de Commissie sterker haar eigen verantwoordelijkheid neemt met inachtneming 'van één institutioneel kader'.

De minste vooruitgang wordt bij de derde pijler geboekt, volgens de regering. Die onmacht moet verdwijnen omdat op het terrein van justitie en binnenlandse zaken 'krachtdadig optreden van de Unie' nodig is. België, Nederland en Luxemburg stellen in een gemeenschappelijk memorandum over de herziening van het Verdrag van Maastricht: het wegvallen van de binnengrenzen vereist gezamenlijke maatregelen in de sfeer van visa, immigratie en asiel, alsook in de gezamenlijke strijd tegen de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.

De burger heeft volgens de regeringen van de Benelux verwachtingen als het gaat om het vergroten van de interne veiligheid, verwachtingen die de lidstaten voor een groot deel alleen nog kunnen beantwoorden via hechte samenwerking binnen de Unie.