De partijloze burgemeester past heel goed in veel gemeenten

Burgemeesters zouden minder vaak uit de gelederen van de politieke partijen moeten worden gerecruteerd, vindt F.J. Lisman. Ook vindt hij twee ambtsperiodes van zes jaar in één gemeente het maximum.

Veel burgemeesters dreigen hun functie te verliezen als gevolg van grootscheepse gemeentelijke herindelingen. Om de pijn te verzachten sloot minister Dijkstal op 12 juni een akkoord met het Georganiseerd Overleg burgemeesters over een verbeterde rechtspositieregeling. Ook heeft de minister onlangs met de Tweede Kamer een aantal afspraken gemaakt waartoe het rapport van de Commissie Van Thijn in 1993 de aanzet gaf. Belangrijk is daarbij dat de Kroon de burgemeester blijft benoemen.

Twee vraagstukken met betrekking tot de benoeming van de burgemeester verdienen nadere aandacht. Ik constateer dat bij benoemingen van burgemeesters ten onrechte vrijwel niet naar sterke veranderingen in de politieke verhoudingen in de gemeenteraden wordt gekeken. Verder is het opvallend dat men weliswaar de zittingsduur van een burgemeester in dezelfde gemeente wil beperken, maar daarbij niet grijpt naar het meest voor de hand liggende middel, namelijk een verbod van een tweede herbenoeming.

Het voortraject voor de benoeming van een burgemeester gaat veranderen. De profielschets van de te benoemen man of vrouw zal in het vervolg vóór het begin van de sollicitatietermijn beschikbaar zijn, zodat de wensen van de raad van tevoren bij de sollicitanten bekend zijn. De commissaris der koningin moet alle sollicitatiebrieven (dus niet alleen de door hem geselecteerde) doorsturen naar de gemeenteraad. De gemeenteraad treedt in de plaats van de vertrouwenscommissie en neemt het recht van aanbeveling over van de commissaris. Deze mag nog slechts adviseren, wat minder sterk is dan aanbevelen.

De minister kan op grond van een zogenaamde 'bovenlokale afweging' afwijken van de aanbeveling van de raad. Eén daarvan is de door de minister gewenste evenwichtige spreiding over de politieke partijen. Ik betreur het, dat de minister en de Kamercommissie bij dit punt uitsluitend hebben gesproken over de politieke verdeling 'in dit huis' (de Tweede Kamer), in plaats van over die in de gemeenteraden. De afkeer van de burgers van de rol van 'landelijke politieke partijen in de gemeentepolitiek' wordt immers steeds groter: het aantal raadsleden van lokale partijen, in 1990 al 1896, liep in 1994 verder op tot 2318. Daarmee nemen zij met 21 procent de tweede plaats in, ná het CDA dat van 32 procent naar 25 procent terugviel, maar vóór de PvdA (16 procent), VVD (15 procent) en D66 (9 procent). Gezien deze ontwikkeling zou de minister dus eerder iets moeten doen aan de achterstand van burgemeesters die géén binding hebben met een landelijke politieke partij.

Indien de komende twee jaar eens twintig tot veertig burgemeesters (onder wie uiteraard een aantal vrouwen) benoemd zouden worden die aan dit criterium voldoen, zou het burgemeesterschap ongetwijfeld een positieve impuls krijgen.

Hier komt nog wat bij. De burgemeester hoort boven de partijen te staan en hij moet dan ook niet beticht kunnen worden van enige sympathie jegens 'zijn eigen raadsfractie'. Strikte onafhankelijkheid, of, anders gezegd, politieke neutraliteit, is het beste gewaarborgd als hij geen lid is van een van de in de raad vertegenwoordigde partijen, maar dat zal grotendeels theorie blijven.

Een tweede bovenlokale afweging betreft het voorkeursbeleid voor vrouwen, waarbij het streefgetal voor 1995 'honderd vrouwelijke burgemeesters' was. Er zijn er thans negentig, en aangezien er heel wat gemeenten zullen zijn waar men bij gelijke geschiktheid de voorkeur geeft aan een vrouw, zal de minister waarschijnlijk nimmer om deze reden hoeven af te wijken van de eerste keus van de raad.

Ten slotte wil de minister voorrang kunnen geven aan burgemeesters die bij gemeentelijke herindeling vrijkomen. Het voordeel van zo'n kandidaat is, dat hij over de noodzakelijke bestuurlijke ervaring beschikt en wellicht ook een goede staat van dienst heeft, zodat hij toch al hoog zal scoren bij de raad. Maar de afweging of zo'n kandidaat louter vanwege de herindeling voorrang moet hebben boven een zittende burgemeester elders die óók gesolliciteerd heeft, of boven een andere uitstekende kandidaat, zou niet door de minister, maar door de raad gemaakt moeten worden.

Wat minister Dijkstal (angstvallig?) niet als 'bovenlokale afweging' noemt maar wat in de praktijk helaas nogal eens voorkomt, is de benoeming tot burgemeester van een ex-politicus 'voor wie iets passends gevonden moet worden'. Een dergelijk persoon zou gewoon moeten meesolliciteren en gesprekken hebben met de raad, waarbij de minister aan de raad extra aandacht voor deze kandidaat kan vragen. Als deze niettemin het voorkeurslijstje van de raad niet haalt, zou hij niet benoemd moeten worden.

De commissaris der koningin staat veel verder van de burgers af en ik zie er dan ook weinig bezwaar in dat de grote landelijke partijen onderling de verdeling van deze posten regelen. Maar verder dan partijverdeling moet dat niet gaan.

Een tweede punt van kritiek betreft het ontbreken van een verbod van een tweede herbenoeming. Ik pleit er voor dat een burgemeester in dezelfde gemeente slechts eenmaal herbenoemd kan worden, zodat hij maximaal 12 jaar (twee termijnen van zes jaar) op dezelfde stoel zit. Dit bevordert de doorstroming, maar er zijn méér argumenten voor aan te voeren: de kwaliteitstoets is bij herbenoeming beduidend minder, partijen raken na twaalf jaar op elkaar uitgekeken, de motivatie vermindert en de routine neemt toe, en een tweede herbenoeming is vaak niet de eerste keus van betrokkene.

Minister Dijkstal kan tegen dit voorstel nauwelijks bezwaar hebben, want hij wilde zelf in feite veel verder gaan: burgemeesters zouden om de vier tot vijf jaar moeten rouleren. Dit vond om tal van redenen terecht geen steun in de Kamer. Hoe zouden bijvoorbeeld de betrokken gemeenteraden dat vinden?

Zelfs het genootschap van burgemeesters lijkt niet dwars te liggen. Het vraagt zich in het kader van de mobiliteit af of het verstandig is dat een burgemeester langer dan twaalf jaar in dezelfde gemeente blijft. Artikel 61 van de Gemeentewet dient dan ook als volgt aangevuld te worden: “Hij (de burgemeester) kan in dezelfde gemeente slechts eenmaal herbenoemd worden.”

Ten slotte wil ik nog een suggestie doen om tijdens het burgemeesterschap enkele kritische momenten in te bouwen.

In de eerste zes jaar zou er na drie én na vijf jaar een ijkpunt moeten komen. Na drie jaar zouden de raad en de burgemeester elk in een rapport aan de commissaris der koningin moeten aangeven of er beletselen zijn voor een eventuele herbenoeming. Na vijf jaar polst de commissaris raad en burgemeester en bereidt de herbenoeming voor als beider oordeel positief is. In de tweede zes jaar maakt de raad halverwege een rapport voor de commissaris met een loopbaanadvies voor de huidige burgemeester en een profielschets voor de nieuwe. Op deze wijze kan een succesvol loopbaanbeleid voor burgemeesters worden ontwikkeld.