De beperkingen van Europa

De economische en monetaire eenwording van Europa zal de inkomensverschillen in Nederland vergroten. Om allerlei redenen worden de marges om nationale koopkrachtpolitiek te voeren smaller. Eén van de opvallendste politieke gebruiken zal daarmee verdwijnen: het maken van zo evenwichtig mogelijke koopkrachtplaatjes in de zomermaanden.

Het Centraal Planbureau geeft dan steevast een nauwgezette raming van wat de lonen en prijzen het komende jaar gaan doen. Dan kan het passen en meten beginnen. Als trapezewerkers wringen de bewindslieden zich in allerlei bochten om met Prinsjesdag een zo glad mogelijk koopkrachtbeeld te kunnen presenteren.

Om precies te kunnen begrijpen waarom de EMU een eind maakt aan dit gebruik is een aanloopje nodig. Hoe repareert het kabinet tot op heden koopkracht? De ziekenfondspremie werd wat bijgesteld. De WAO- of AAW-premie werd verhoogd, of verlaagd. Dan werd er nog wat geschoven met individuele huursubsidie en kinderbijslag. Net zolang tot het plaatje precies in evenwicht was.

Het kabinet is echter een aantal van deze instrumenten kwijtgeraakt. De overheid stelt de ziekenfondspremie niet meer vast. De WAO-premie wordt straks, na de aangekondigde herziening van deze wet, niet meer door de werknemer, maar door de werkgever betaald. De AAW-premie vervalt omdat deze voorziening wordt opgeheven. Het kabinet heeft bovendien net besloten om ook de AOW-premie te maximeren. Ook dit middel verdwijnt. Dat geldt ook voor de WW-premie, zodra het kabinet besluit om deze te differentiëren.

De ingrepen in de premies hebben een Europese dimensie. De beheersing van de sociale-zekerheidsuitgaven zijn mede bedoeld om te voorkomen dat Nederland met zijn collectieve sector in Europa teveel uit de pas loopt. Als de EMU een feit is, heeft het kabinet nog maar een paar instrumenten over om de koopkracht te beïnvloeden. Er kan nog wat worden geschoven met de AWBZ-premie, maar niet onbeperkt en via de individuele huursubsidie en de kinderbijslag is nog enige aanpassing mogelijk. Maar die twee laatste instrumenten hebben slechts effect op een beperkt aantal inkomens en kunnen nog maar in bescheiden mate worden gehanteerd.

In de EMU is het nauwelijks meer mogelijk om langs de premiekant aan koopkrachtpolitiek te doen. Dan resteert de rijksoverheid nog maar één middel om de koopkracht van de burger te beïnvloeden: het instrument van de belastingen (BTW, inkomstenbelasting, vermogensbelasting).

Maar die mogelijkheid is ook door de Europese eenwording beperkt. Als de inkomstenbelasting wordt verminderd om de burger wat meer lucht te geven, heeft dat meteen gevolgen voor het financieringstekort. Dat financieringstekort is in Europees verband juist aan strakke banden gelegd.

Het bijzondere van sociale premies is dat tekorten van sociale fondsen niet meetellen voor het EMU-tekort. Ze kunnen kunstmatig te laag worden vastgesteld om de koopkracht van burgers te repareren. Met het belastingtarief mag Nederland daarentegen niet te veel uit de pas lopen met de rest van Europa.

De nationale autonomie bij het bepalen van de omvang van de publieke sector neemt verder onvermijdelijk af door de europeanisering van de Nederlandse economie. En dus zullen Nederlandse politici er in de toekomst genoegen mee moeten nemen dat de koopkracht van verschillende inkomensgroepen zich verschillend ontwikkelt. In de praktijk zal dat betekenen dat de rijken rijker worden en de armen armer.

    • Frank van Empel