Begroting examen voor muntunie

Eén markt, één munt. Sinds 1 januari 1993 bestaat de interne markt die het vrije verkeer van goederen en diensten in de Europese Unie mogelijk maakt. Maar wie van Nederland naar Portugal reist moet nog steeds vier keer geld wisselen. Eén markt functioneert niet optimaal met vijftien valuta's. Begin 1998 beslissen de Europese regeringsleiders in welke landen met de euro, de gemeenschappelijke munt van de Economische en Monetaire Unie (EMU), kan worden betaald.

De rijksbegroting 1997 die minister Zalm van Financiën vanmiddag heeft aangeboden aan de Tweede Kamer heeft een bijzondere Europese dimensie. Op basis van deze begroting wordt beoordeeld of Nederland mag deelnemen aan de EMU. Een stap van historisch belang, meent de Raad van State.

Met het Verdrag van Maastricht van begin jaren negentig koerst Nederland aan op de vervanging van de gulden door de euro. Als een land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op. De opstellers van het verdrag hebben daarom gekozen voor de weg van de geleidelijkheid.

Op 1 januari 1999 neemt de Monetaire Unie een aanvang. De wisselkoersen van de deelnemende lidstaten liggen dan vast en de euro is dan feitelijk ingevoerd. Maar er mag nog drie jaar met gulden, 'knaak', 'snip' en 'vuurtoren' worden betaald. Vanaf 1 januari 2002 zijn de euromunten en eurobiljetten het wettige betaalmiddel.

De deelnemende valuta's krijgen op 1 januari 1999 een vaste onderlinge verhouding en schommelingen van wisselkoersen behoren tot het verleden. Exporteurs lopen geen wisselkoersrisico meer voor handel binnen deze Unie. Voor een klein land met een grote buitenlandse afzetmarkt is dit een groot voordeel; 80 procent van de Nederlandse export wordt afgezet binnen de Europese Unie. Volgens het kabinet-Kok zal de EMU “het functioneren van de ene interne markt bevorderen, en daarmee werkgelegenheid en welvaart in de EU bevorderen”. “De toekomst van Europa is onze toekomst”, begint koningin Beatrix de Troonrede.

Om aan de monetaire unie te mogen deelnemen, moet een land aan een aantal voorwaarden voldoen. Het zijn regels voor een degelijk monetair beleid: lage inflatie, een stabiele munt en zo laag mogelijke rente. Het tweede pakket eisen heeft betrekking op de overheidsfinanciën. Het begrotingstekort van de overheid en de staatsschuld mogen niet meer zijn dan respectievelijk 3 en 60 procent van het bruto binnenlands produkt, het geld dat met de verkoop van goederen en diensten in een land wordt verdiend.

Op basis van de Miljoenennota 1997 wordt beoordeeld of Nederland zich kwalificeert voor de EMU. Het kabinet-Kok beschouwt deze begroting als de belangrijkste. Nederland slaagt, zegt Zalm. “Als Nederland zich niet kwalificeert, kwalificeert zich geen enkel land.”