Toon Clinton tegen Irak stuk minder strijdlustig

WASHINGTON, 16 SEPT. Toen gisteren zelfs Koeweit niet meer onvoorwaardelijk achter het Amerikaanse optreden tegen Irak leek te staan, moest de regering-Clinton alle zeilen bijzetten om de indruk weg te nemen dat de hele operatie op een fiasco uitdraaide.

De verwachte verdere escalatie in het hoog opgelopen conflict met Bagdad bleef dit weekeinde uit, maar president Clinton moest zich verdedigen tegen aanzwellende kritiek van Republikeinse Congresleden.

Vrijdag nog leek Washington aan te sturen op een nieuwe aanval op Iraakse doelen, krachtiger dan de twee voorgaande aanvalsgolven. Maar zaterdag en zondag was de toon van Clinton en zijn adviseurs een stuk minder strijdlustig.

Clinton, die erkende dat Saddam Hussein er beter voor staat dan “de dag na de Golfoorlog in 1991”, sprak zijn vertrouwen uit dat de opvoering van de Amerikaanse troepensterkte in de regio de Iraakse leider in bedwang zou houden. De Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Madeleine Albright, zei dat de VS zich niet onder druk laten zetten om “te krachtig te reageren”. En zelfs minister van defensie William Perry, die het stelligst was geweest in zijn aankondiging van nieuw geweld, ging gisteren niet verder dan de uitspraak dat nieuwe aanvallen “nog steeds een mogelijkheid” zijn. Maar Perry was dan ook in het gebied rond de Golf, waar hij persoonlijk het geringe enthousiasme kon ervaren voor het Amerikaanse optreden.

Vrijdag hadden de Amerikanen aangekondigd 5.000 man extra grondtroepen naar Koeweit te zullen sturen, als onderdeel van de algehele versterking van de Amerikaanse militaire aanwezigheid in het gebied. Verzuimd was echter om Koeweit daarvoor de benodigde toestemming te vragen. Toen Perry dat gisteren persoonlijk alsnog kwam doen, kreeg hij van de gepikeerde Koeweiti te horen dat ze nog enige tijd nodig hadden voor onderling overleg alvorens ze uitsluitsel konden geven. Het Pentagon moest de troepenzending naar Koeweit daarop voor onbepaalde tijd uitstellen.

President Clinton kon niet veel meer doen dan hoopvol zeggen: “Ik geloof niet dat er een probleem is, voor zover ik weet”. En zijn hoogste militair, generaal John Shalikashvili, voorzitter van de verenigde chefs van staven, zei monter dat hij verwachtte dat “de Koeweiti ons heel binnenkort zullen laten weten dat ze onze troepen graag zullen ontvangen”. Volgens een functionaris heeft Koeweit dat vandaag inderdaad gedaan. Niettemin heeft het duidelijk zijn distantie kenbaar gemaakt ten opzichte van het land waaraan het zijn bevrijding van de Iraakse bezetting dankt, nog maar vijf jaar geleden. Dat Perry van Bahrein wèl meteen toestemming kreeg voor de stationering van 23 F-16 gevechtsvliegtuigen, voorkwam totaal gezichtsverlies.

De Republikeinse kritiek op Clintons aanpak van de crisis-Irak was eind vorige week enigszins tot bedaren gekomen, toen het erop leek dat de Amerikanen alsnog krachtig militair zouden optreden tegen de laatste provocatie door het Iraakse leger: een raket die was afgevuurd op twee Amerikaanse gevechtsvliegtuigen die patrouilleerden boven de noordelijke No-fly zone. Maar dit weekeinde stak de kritiek weer op. De in beide partijen gerespecteerde Republikeinse senator John McCain, op het gebied van buitenlandse politiek een belangrijk adviseur van Bob Dole, zei gisteren dat het Irak-beleid van de regering-Clinton een duidelijke doelstelling of richting ontbeert, en ten prooi is aan diepe verwarring. Ook Newt Gingrich, de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, voerde zijn kritiek op het beleid op. Hij drong erop aan dat Clinton spoedig de Amerikaanse doelstellingen in Irak uiteenzet.

Clinton beroept zich erop dat de twee reeksen raketaanvallen op Iraaks luchtafweergeschut en de uitbreiding van de zuidelijke No-fly zone “de strategische dwangbuis” van Saddam Hussein verder hebben aangesnoerd - “waardoor het voor hem moeilijker is om Saoedi-Arabië en Koeweit te bedreigen, en voor ons makkelijker om hem tegen te houden als hij dat toch doet”.

Met die uitspraak bevestigde de president nog eens de verschuiving in prioriteiten die zich eerder in de week al aftekende in de Amerikaanse politiek ten opzichte van Irak. Bescherming van de Koerden in het noorden van Irak lijkt zo goed als opgegeven. Vijf jaar lang gold het garanderen van de toevoer van humanitaire hulp en het buiten de deur houden van Saddams leger als belangrijk element van de Amerikaanse politiek in Irak. Maar nu Bagdad door het pact met de Koerdische Democratische Partij de controle over het noorden heeft teruggewonnen, is die doelstelling bijna geruisloos opgegeven.

De Operatie Provide Comfort, die in 1991 was opgezet, lijkt ten dode opgeschreven nu leiders van de Koerden voor wie de hulp bedoeld was, steun hebben gezocht bij Saddam Hussein. En met de Amerikaanse instemming voor een Turkse veiligheidszone in het noorden van het Koerdische gebied, blijft er ook weinig over van het beleid om de Koerden te beschermen tegen inmenging van buurlanden.

Minister van buitenlandse zaken Warren Christopher sprak gisteren nog wel over het “humanitaire belang” van de Verenigde Staten bij het welzijn van de Koerden. Maar niets wijst erop dat de VS bereid zijn voor dat belang in actie te komen. Amerikaanse regeringsfunctionarissen wijzen er voortdurend op dat de huidige situatie te wijten is aan de onderlinge strijd van de Koerden en het verbond van de KDP met Saddam Hussein. “Vijf jaar lang hebben we de Koerden allerlei mogelijkheden geboden”, zei Christophers woordvoerder Nick Burns vorige week. “We hebben ze politieke bescherming gegeven, we hebben ze politieke en humanitaire hulp gegeven, we hebben ze in het noorden een veiligheidszone gegegeven waar ze op een autonome manier hun eigen zaken konden regelen. En de Koerden hebben die grote historische kans voor het Koerdische volk laten lopen.”