Rattle combineert Messiaen en Bruckner

Concert: City of Birmingham Symphony Orchestra o.l.v. Simon Rattle. Messiaen: Chronochromie; Bruckner: Zevende symfonie. Gehoord: 15/9, Concertgebouw Amsterdam.

De serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw is zondag met een opzienbarende programmacombinatie van start gegaan. Anton Bruckners Zevende symfonie werd samen met Chronochromie van Olivier Messiaen gespeeld door het City of Birmingham Symphony Orchestra onder leiding van zijn chefdirigent Simon Rattle.

Chronochromie is intussen al bijna veertig jaar oud, maar het getuigt van enige lef om dit dwarse stuk aan het begin van deze serie te plaatsen - een daad die lang niet alle bezoekers konden waarderen. Bruckner en Messiaen hebben ondanks de hemelsbrede verschillen in idioom meer gemeen dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. Het leunen op buitenmuzikale referenties bijvoorbeeld of hun beider, wat naïef aandoende geloofsovertuiging.

Simon Rattle - met zijn 41 jaar nog altijd een jeugdige dirigent - gaat onorthodoxe combinaties duidelijk niet uit de weg. Vanaf 1980 is hij de bevlogen muziekdirecteur van het City of Birmingham Symphony Orchestra en anders dan veel van zijn collega's is hij altijd terughoudend geweest in zijn gastdirigentschappen, al gold dat in de jaren '80 niet voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Zijn Birminghamse orkest heeft Rattle opgekrikt tot hoog niveau, maar in de details rammelt het toch teveel om te kunnen spreken van een orkest van wereldklasse.

Dat neemt niet weg dat de prestaties er mochten zijn. Door het Duitse blad Der Spiegel werd Rattle ooit uitgeroepen tot de 'Karajan van het jaar 2000', maar juister is het waarschijnlijk hem te betitelen als de Bernstein van de komende eeuw, zo optimistisch en soepel swingend zwaait hij zich door de meest complexe partituren. Bij Rattle werden de massief geïnstrumenteerde vogelzangen van Messiaen een blijmoedig getjilp dat hij ritmisch strak in de hand hield.

In de Zevende symfonie van Bruckner waren alle tempi fors lager dan bijvoorbeeld Haitink ze neemt. Dat is des te opmerkelijker omdat Rattle niet zozeer op de grote lijn lijkt te werken, maar per deel een soort parelketting rijgt van kleine hoogtepunten. Bij de meeste delen van deze Bruckner-symfonie werkte dit uitstekend omdat de langgerekte thema's haast op zichzelf staande verhalen zijn - voor het eerste thema zijn 24 maten nodig, voor het tweede dertig - maar met name het Adagio werd hierdoor toch wat richtingloos.

In geen deel is het totale perspectief immers zo essentieel als in deze roerende jammerklacht over het overlijden van Wagner, waarin voor het eerst in het symfonisch genre Wagnertuba's werden voorgeschreven. Al met al leverde Rattle een knappe, stevige Bruckner af, maar geen onvergetelijke. De programmacombinatie verdient daarentegen vermelding in de kroniek van het Concertgebouw.