Pensioenrechten

EEN RECHTVAARDIGE VERSOBERING heet het in kabinetskringen. De toekomst van de pensioenvoorzieningen in Nederland vormt het onderwerp van een drietal nota's die morgen zullen worden gepubliceerd. Ze zijn bedoeld als een aanzet voor een pensioenstelsel dat betaalbaarheid, flexibiliteit en solidariteit in het licht van de vergrijzing van de bevolking veilig moet stellen.

Deze zoektocht naar de kwadratuur van de cirkel lijkt zowaar een politiek aanvaardbaar resultaat en een begin van versoepeling van het starre Nederlandse pensioensysteem op te leveren.

In paarse eensgezindheid zijn de ministers Melkert (PvdA, Sociale Zaken), Wijers (D66, Economische Zaken) en Zalm (VVD, Financiën) bezig met hun pensioenrevolutie als betrof het hun persoonlijke hobby. Over de AOW zijn ze het eens: de uitkeringen worden geïndividualiseerd, de premies bevroren en de eventuele tekorten worden voortaan bijgepast uit de Rijksbegroting. Met een enkele aanpassing in de belastingschijven zal het met die tekorten wel meevallen. Parlementaire suggesties voor hogere belastingheffing voor AOW'ers zijn hiermee van tafel.

Aan de andere kant van het pensioenspectrum blijven de particuliere voorzieningen voor de oude dag, de lijfrentepolissen die burgers fiscaal aftrekbaar afsluiten bij verzekeraars, buiten schot. Het kabinet wenst geen protesterende AOW'ers, maar evenmin een opstand van de verzekeraars of een herhaling van de hausse aan polissen die zich bij de 'Brede herwaardering' van enkele jaren geleden voordeed.

DE KABINETSPLANNEN hebben betrekking op de verplichte pensioenregelingen voor werknemers die traditioneel zijn afgestemd op een pensioen dat zeventig procent van het laatstverdiende salaris bedraagt. Dat moet veranderen in zeventig procent van het gemiddelde salaris (het middelloon) tot een maximum van 76.000 gulden per jaar. Dit is niet alleen goedkoper (vooral voor de grootste werkgever in Nederland, de overheid) met behoud van solidariteit (de late carrièremakers zijn geen modale werknemers), maar het bevordert ook de flexibiliteit van de pensioenregelingen - en daarmee van de arbeidsmarkt. Een toenemend aantal bedrijven is inmiddels op eigen initiatief overgegaan op een middelloonstelsel.

Tegenover deze versobering staat grotere soepelheid. Door een opening te scheppen in de verplichtstelling van de bedrijfspensioenen en door boven het voorgestelde maximum alle vrijheid toe te staan, stelt het kabinetsplan op één onderdeel in feite de algemeen-verbindendverklaring van CAO-regelingen ter discussie. Werkgevers en werknemers krijgen (iets) meer ruimte om naar eigen inzichten pensioenvoorzieningen op te bouwen. Hoe gevoelig dat ligt, blijkt wel uit de recente meningsverschillen in het kabinet over de gedachte van invoering van een middelloonstelsel in de WW.

In de pensioenvoorstellen worden de individuele keuzemogelijkheden groter, ook al blijven vooralsnog aan de versoepeling van de verplichte deelname aan bedrijfspensioenfondsen veel beperkende voorwaarden verbonden. Maar het eerste bresje in de verplichte oplegging van CAO-afspraken aan alle werknemers in een hele bedrijfstak is geslagen. Boven de collectief verplicht gestelde regelingen krijgen werkgevers en werknemers de vrijheid om naar eigen inzicht een pensioenregeling te treffen.

HET GEVAAR bestaat dat een toekomstig kabinet zijn handen niet kan thuishouden en zich gaat bemoeien met de particuliere pensioenvoorzieningen boven de maximering van het middelloonstelsel. Het ligt voor de hand dat werknemers met hogere inkomens hun pensioenen particulier zullen gaan aanvullen op de verzekeringsmarkt. Als de individuele keuze tussen consumeren of sparen wordt verruimd, moeten ook de particuliere besparingen voor de oude dag gerespecteerd blijven. Deze private besparingsvrijheid is de keerzijde van de voorgenomen versobering van de collectieve regelingen.