Miranda van Kralingen is een Elisabetta van grote allure in Verdi's Don Carlo; De koning des doods in het rijk der duisternis

Voorstelling: Don Carlo van G. Verdi door Nationale Reisopera en Orkest van het Oosten o.l.v. Ed Spanjaard m.m.v. Mikhail Davidoff, Miranda van Kralingen, Kerstin Witt, Wolfgang Rauch, Harry Peeters en Jaco Huijpen. Decors en kostuums: Rien Bekkers; regie: Hans Croiset. Gezien: 13/9 Enschede. Herhalingen t/m 17/10. Amsterdam: 17, 19/9; Rotterdam: 11, 13/10; Den Haag 6/10.

Verdi's monumentale Don Carlo is geen opera om het land mee rond te reizen. Toch trekt de Nationale Reisopera nu daarmee van Leeuwarden tot Breda, van Groningen tot Maastricht: vijftien voorstellingen die duren van half acht tot kwart over elf. Er is slechts één pauze en na afloop reist het begeleidende Orkest van het Oosten steeds weer naar Enschede.

Don Carlo lijkt met de vereiste omvangrijke en superieur zingende cast, die recht moet doen aan Verdi's muzikale grandeur, ook geen opera voor een jong gezelschap, zoals de Nationale Reisopera. Niettemin zorgt de Reisopera in het derde seizoen dankzij de forse ambities van intendant Louwrens Langevoort voor een Don Carlo die een bijzondere plaats verdient in de Nederlandse operahistorie.

De toneelregisseur Hans Croiset blijkt hier in zijn tweede opera-enscenering nu echt affiniteit te hebben met deze kunstvorm. Harry Peeters is een imponerende Filippo, Jaco Huijpen is een schrikwekkende Grootinquisiteur en Miranda van Kralingen bewijst zich als Elisabetta in haar eerste Verdi als een lyrische èn een hoog-dramatische sopraan van grote allure. Dirigent Ed Spanjaard komt tot een stevige dramatiek door het aandeel van orkest en zangers volkomen in de enscenering te integreren. Spanjaard dirigeert dit seizoen nog drie opera's: Rigoletto (Nederlandse Opera), Hänsel und Gretel (Opera Zuid) en een nieuw werk van Wim Laman (Holland Festival).

Don Carlo (1867), naar het toneelstuk van Schiller over de toestanden aan het Spaanse hof van Filips II aan het begin van onze Tachtigjarige Oorlog, is vooral zo lastig omdat het omvangrijke werk verre van ideaal in elkaar steekt. Dat er vijf versies bestaan van de voor Parijs geconcipieerde 'Grand Opéra' zegt al iets, evenals het feit dat Verdi's originele partituur pas in 1973 voor het eerst werd uitgevoerd.

De Franse versie was in 1987 in het Amsterdamse Muziektheater te zien in de prachtlievende decors die Luchino Visconti in 1958 ontwierp voor de Londense produktie waarin Gré Brouwenstijn Elisabetta zong. Met pauzes en lange changementen duurde die voorstelling meer dan vijfeneenhalf uur. Nu klinkt de 'normale' versie, waarbij de Italiaanse vertaling van de eerste acte uit 1867 voorafgaat aan de vier andere in 1883 gereviseerde actes.

Die eerste acte die speelt aan het Franse hof in Fontainebleau, is opmerkelijk èn problematisch. In nog geen vijfentwintig minuten gaat daar in feite een complete opera. De Franse prinses Elisabeth verlooft zich pal na hun eerste ontmoeting met de Spaanse prins Carlos, maar wordt vervolgens door haar vader uitgehuwelijkt aan Carlos' vader, de Spaanse koning Filips II. Elisabeth gaat ondanks haar treurnis om het verlies van deze 'grootse liefde' toch snel akkoord, om zo een vredesverdrag tussen Frankrijk en Spanje te bezegelen.

Die eerste acte is zó schetsmatig, zó weinig psychologisch onderbouwd en zó akelig ouderwets 'typisch opera', dat het een regisseur de grootste moeite kost hier nog enige geloofwaardigheid aan te brengen en de acte de serieuze basis te laten zijn voor de veel breder uitgemeten fatale verwikkelingen in de volgende vier actes. Die leiden, op basis van de liefde tussen Carlos en zijn stiefmoeder Elisabeth en tegen de achtergrond van inquisitie en een machtsstrijd tussen de theocratische RK Kerk en de onverbiddellijk strenge Spaanse koning Filips II tot de moord op Carlos' vriend Posa, de verbanning van prinses Eboli, de vlucht van Elisabeth en de mystieke 'redding' van Carlos door een monnik in de gestalte van de overleden keizer Karel V.

Hans Croiset, die zich eerder bij de Reisopera in Gounods Faust al inliet met religie, satan en mystiek, slaagt er aanvankelijk niet in om die typische opera-ellende van de eerste acte te vermijden. Daarna gaat het geleidelijk aan beter en na de pauze volgen nog uitsluitend overtuigende scènes.

De dramatiek is dan in de heftige onderlinge confrontaties sterk geconcentreerd en wordt door de historisch gekostumeerde personages verbeeld in door Rien Bekkers sober vormgegeven en aangeklede ruimtes. Die zijn grijs en donker: nimmer straalt in het Spanje van Filips een sprankje zonlicht, hier heerst de Inquisitie, de duivelse kant van de fundamentalistische katholieke zwartekousen-kerk.

Het treffendst zien we dat bij de ketterverbranding tijdens het auto-da-fe, de de scène waarin Filips en Posa een verbond sluiten en het bikkelharde treffen tussen de kille Filips en de genadeloze Grootinquisiteur. Filips' koningsmantel hangt aanvankelijk over een kruis met een schedel: hij is de koning des doods die heerst over het rijk der duisternis. Hij laat niet alleen ketters en Vlamingen ombrengen, ook de dood van zijn eigen zoon Carlos kan in het belang zijn van de wereldvrede, die nu eenmaal slachtoffers eist. Nog meer dan destijds in de Amsterdamse voorstelling weet Peeters van Filips ook een genuanceerd personage te maken: al wil hij het niet echt laten merken, men voelt de tragiek in zijn innerlijk.

Naast de sterke mannenrollen van Filips, Posa en de inquisiteur worden ook ook Elisabetta en Eboli geprofileerd als uitzonderlijk sterke karakters. Eboli, vergeefs verliefd op Carlos, verandert in de vertolking van Kerstin Witt van een sympathiek personage in een feeks om tenslotte in O don fatale te eindigen als een deerniswekkende outcast. Witt weet ook zonder verpletterende topnoten met haar enorme gedrevenheid volledig te overtuigen.

Miranda van Kralingen, die de afgelopen seizoenen in ons land al kwam tot hoogst opmerkelijke prestaties als Mimi (La bohème), de gravin (Le nozze di Figaro) en Donna Anna (Don Giovanni) zingt en acteert hier een Elisabetta van grote klasse. Dankzij haar grote mimiek druipt het leed van haar gezicht, ook vocaal weet ze probleemloos gestalte te geven aan de grote en hartverscheurende emoties. Haar vertolking bereikt een hoogtepunt in een spectaculair gezongen Tu che la vanita waarin ze de stemmingen sterk varieert. In het laatste duet met Carlos is ze zeer ontroerend.

Tegenover al die indrukwekkende personages staat dan de labiele Don Carlos, een pathetische jongen van grote woorden zonder bijpassende daden, een speelbal van de omstandigheden waarop hij geen greep heeft, een verliezer. In deze moeilijke titelrol kan de Russische tenor Mikhail Dawidoff niet overtuigen: zijn geringe kwaliteiten als acteur maken zijn rol al te sullig en ook vocaal weet hij in het befaamde duet met Posa weinig indruk te maken. Ook de verder voortreffelijke Wolfgang Rauch (Posa) kwam daar bij de première tot onvoldoende sonoriteit. Maar in zijn slotduet met Elisabetta komt Dawidoff met zijn lichte stem weer juist tot een treffende onthechting van het aardse leed.

Al komt het Orkest van het Oosten er niet zonder wat foutjes doorheen, dirigent Ed Spanjaard organiseert hier een enerverende en heel direct aansprekende muzikale uitvoering. Telkens weer onderstreept hij met het orkest de toneelbeelden en de dramatische situaties, zoals in de schrille schildering van het treurige lot der Nederlanden en het onheilspellende begin van de fascinerende vierde acte. Spanjaard komt ook met zijn zangers tijdens aria's, die anders vaak de voorstelling stilzetten, tot een krachtige voortzetting van de handeling. O don fatale van Witt en Tu che la vanita van Van Kralingen zijn hier geen statische zangstukken die zo mooi mogelijk moeten klinken, maar jagen juist de opera op tot glorie.

    • Kasper Jansen