Kabinet stuurt Randstad de verkeerde kant op

Het kabinet wil de structuur van de Randstad verbeteren. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu schreef daar onlangs over in deze krant. De drie nota's over ruimte en mobiliteit waarover de vorige week bericht werd, bevestigen dat.

De doelen die het kabinet zich stelt, lijken eenvoudig te verwezenlijken. Dat is echter niet het geval. Bovendien sturen de maatregelen die het kabinet voorstelt, de ontwikkeling de verkeerde kant op.

Minister en kabinet constateren dat de Randstad hoog scoort door de combinatie van hoogstedelijke activiteiten met grote groene zones en uitloopgebieden. Zij willen dat klimaat handhaven en plaatselijk versterken. Nieuwbouwgebieden willen zij zó lokaliseren, dat die goed te bereiken zijn, dat de automobiliteit niet groter wordt, dat de stedelijke voorzieningen goed benut worden en dat het aantal groene uitloopgebieden voor steden op zijn minst gelijk blijft. Om dat doel te bereiken, willen zij nieuwe woongebieden in of bij grote steden, stadsgewesten of stedelijke knooppunten situeren en suburbane verstedelijking tegengaan.

Nu zou het wel eens zo kunnen zijn dat de maatregelen die minister en kabinet voorstellen, de Randstad niet bij het gestelde doel brengen. De reden: zij zijn gebaseerd op vier veronderstellingen die òf niet juist òf een slag in de lucht blijken te zijn.

De eerste veronderstelling is, dat nieuwbouwlokaties in of bij grote steden beter te bereiken zijn dan nieuwbouwlokaties bij kleine steden en dorpen. Zij is in tegenspraak met de feiten. Buiten de Randstad immers zijn oppervlakte en lengte van de wegen per inwoner beduidend groter dan daarbinnen. De bereikbaarheid dus ook.

Voor gemeenten geldt hetzelfde: de bevolkingsdichtheid neemt toe naarmate het aantal inwoners van de grootste stad van de gemeente groter wordt, de hoeveelheid weg vrijwel niet. Dan wordt de bereikbaarheid kleiner naarmate een stad groter wordt. Wanneer men vervolgens nieuwbouwlokaties in of bij grote steden situeert, zijn die in elk geval minder goed te bereiken dan nieuwbouwlokaties bij een kleine stad of bij een dorp. Bovendien wordt de bereikbaarheid van de bestaande grote stad er niet beter op.

De tweede veronderstelling: de groei van de automobiliteit hangt samen met de plek waar men nieuwe woningen bouwt. Ook deze is niet juist. Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat die mobiliteit op het platteland weliswaar iets groter is dan in de grote stad, maar ook, dat de groei van de mobiliteit bij beide vormen van verstedelijking even groot is. De automobiliteit groeit zelfs het snelst in de provincie waar men dat niet verwacht: Utrecht. Daar ligt de per persoon gereisde afstand nu op het niveau van dat in de provincie Flevoland.

De derde veronderstelling: de hoogwaardige voorzieningen in een grote stad zijn beter uit met bewoners in de buurt dan met mensen die wat verder weg wonen. Dit is een slag in de lucht. Bekend is, dat beide soorten bewoners allerlei soorten voorzieningen even vaak gebruiken. Bekend is ook, dat mensen die voor bepaalde voorzieningen een wat grotere afstand moeten afleggen, wat vaker de auto gebruiken. In de derde plaats weten we, dat voor mensen die een rit per auto maken, de afstand niet al te veel telt. Het gevolg zou wel eens kunnen zijn, dat de hoogwaardige voorzieningen in de grote stad net zo goed af zijn met mensen die op enige afstand wonen dan met bewoners in de buurt.

Tenslotte de vierde veronderstelling: het aantal groene uitloopgebieden voor steden wordt zo mogelijk groter en blijft op zijn minst gelijk, als we nieuwe woongebieden in of bij grote steden situeren. Deze veronderstelling is in elk geval in beginsel onjuist; in de praktijk zijn er allerlei gradaties. De mogelijkheden om naar buiten te gaan, zijn namelijk aan de rand van een stad het grootst, en de verhouding tussen de lengte van een rand en de oppervlakte van de stad wordt kleiner naarmate een stad groter wordt. Dat houdt in, dat de mogelijkheden voor groene uitloopgebieden het grootst zijn als de steden “klein” zijn, en niet omgekeerd.

Iemand die last heeft van zwaarlijvigheid, krijgt zijn gewicht niet omlaag door meer te eten. Minister en kabinet lijken dat in de ruimtelijke ordening te willen gaan doen. Maar zij zouden eerst eens na moeten gaan, welke verschijnselen en welke maatregelen welke gevolgen hadden op de inrichting van ons land. Daarna kunnen zij een voorstel doen voor activiteiten die de ontwikkelingen in de Randstad in de gewenste richting leiden.

    • J. Nicolai
    • de Infrastructuur