Generaal Brinkman, dwars uit principe

De Rotterdamse burgemeester Peper wilde “een topper uit de militaire hoek” als nieuwe hoofdcommissaris van politie. Hij kreeg Jan Willem Brinkman (49), de eerste commandant van de Luchtmobiele Brigade, de eerste beroepseenheid van de hervormde Landmacht. Hij wordt bewonderd om zijn analytische geest, maar verguisd om zijn dwarsheid.

Hondenuitlaters in de duinen ten noorden van Den Haag konden in het voorjaar van 1993 in de ochtendschemering dagelijks een vrij lange man zien opdoemen. Hij bewoog zich niet al te soepel in zijn camouflagepak: zijn legerkistjes moesten nog worden ingelopen en zijn rugzak woog wel 25 kilo. Het was Jan Willem Brinkman, sous-chef Plannen van de Koninklijke Landmacht, die in stilte zijn conditie opvijzelde door te voet de negen kilometer tussen zijn huis in Wassenaar en de Haagse Julianakazerne af te leggen.

Brinkman mocht dan de jongste generaal zijn uit de Nederlandse geschiedenis, om het eindexamen voor de eerste luchtmobiele brigadisten te doorstaan was 47 jaar wèl aan de oude kant. Op 16 april 1993 kreeg hij, zeven kilo lichter, de rode baret, na een week van nachtelijke speedmarsen en abseilen langs rotswanden in het Eifelgebergte, met een groep jongemannen wier vader hij had kunnen zijn. Hij werd hun chef.

“Als generaal wil je niet afgaan”, zegt Brinkman nu. En: “Ik heb een vervelende eigenschap: als ik me eenmaal een doel voor ogen heb gesteld, zal ik ook echt alles in het werk stellen om het te bereiken.” Zijn collega's in de legertop, die hem “nooit zo'n sportman” hadden gevonden, verbaasde hij ermee. Het was niet voor het eerst dat ze van hem opkeken, en het zou niet voor het laatst zijn ook. Vorige maand werd bekend dat Brinkman de Landmacht verlaat, zes jaar voor zijn militaire pensioen, om korpschef te worden van de Rotterdamse politie. Hij volgt daar hoofdcommissaris Rob Hessing op, die sinds kort vanuit de Nederlandse ambassade in Parijs contacten over drugspolitiek onderhoudt.

De politiebonden, het 'gesloten circuit' van korpschefs en de Rotterdamse agenten houden hun hart vast voor deze buitenstaander, die - zo vrezen zij - wel eens even schoon schip zal maken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en burgemeester Peper menen met Brinkman “een topper met een onnadrukkelijke overtuigingskracht” te hebben binnengesleept. En in de legertop valt zowel applaus als enige Schadenfreude te noteren voor de ongebruikelijke transfer.

Hij mocht dan “creatief” zijn, “loepzuiver formuleren”, “vóór de meute uit” de dienstplichtloze toekomst van de krijgsmacht hebben voorzien èn “smoel hebben” bij de soldaten, veel van zijn collega's noemen hem ook “eigenwijs” en een stugge “Einzelgänger”, die in zijn militaire loopbaan om die reden juist even pas-op-de-plaats had moeten maken. Hijzelf zegt “altijd eerst de kat uit de boom te kijken”, maar daarna uiterst gedecideerd te handelen. Wie is, kortom, Jan Willem Brinkman?

Bij zijn eindexamen aan de christelijke HBS van Stadskanaal in 1965 haalde hij een 10 voor geschiedenis. Maar, anders dan een jongere broer die hoogleraar theologie in Leuven werd en een oudere zus die lerares Nederlands is, zocht hij zijn toekomst niet in de alfa-hoek. Het werd de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda, zij het na enige aarzeling want het opleidingsinstituut van de Koninklijke Marine in Den Helder en - toen al - de politieschool in Apeldoorn leken hem ook wel iets.

Behalve zijn toekomstige vrouw Ina viel hij in Breda weinig mensen op. “Ik heb hem nooit zingend aan de bar aangetroffen”, zegt generaal Piet Huisman, nu hoofd plannen van de Bosnische vredesmacht IFOR op het NAVO-hoofdkwartier in Mons (België), die als ouderejaars de cadet Brinkman “opvoedde” en hem daarna in andere functies van nabij meemaakte. “Hij zat altijd strak in het pak en was bloedserieus”, aldus Huisman. “Volgens mij hield hij zakgeld over”, zegt een andere KMA-genoot. “In studenten-termen was hij een nihilist. Hij is pas later losgekomen.”

Brinkman erkent dat. Het lag aan zijn leeftijd - met zeventien jaar voor de KMA “extreem jong” - en vooral aan zijn opvoeding in een streng-gereformeerd gezin waarin op zondag twee keer de kerk werd bezocht. “Ons was grote bescheidenheid bijgebracht.” De scherpzinnigheid die men hem in de jaren daarna zou toeschrijven zat er altijd al in, zegt hij met een glimlachje en een restje Groningse tongval. “Maar ik heb het pas later laten blijken”. “Ik zal nooit in een gezelschap als eerste opstaan om mijn mening te geven, maar eerst de maat nemen van de situatie en de personen. Dan lijk je wel eens arrogant, ja.”

Hij bleef de kat uit de boom kijken: bij zijn eerste eenheid, het Garderegiment Grenadiers in Arnhem, tijdens het jaar dat hij als compagniescommandant in Suriname verbleef en ook daarna, eerst als leerling en daarna als docent strategie aan de Hogere Krijgsschool. Onopvallend was hij toen niet meer. “Wat gaat U later doen als generaal?”, vroeg een van zijn soldaten bij het kampvuur in de jungle al eens aan luitenant Brinkman. Hij moet erom lachen, maar hij vond het niet zo'n gekke vraag.

“Il se présente bien”, zegt J. de Hoop Scheffer, oud-ambassadeur bij de NAVO in Brussel, waar Brinkman halverwege de jaren tachtig drie jaar militair adviseur was. De Hoop Scheffer sprak hem aan als 'Jan Willem'; Brinkman zei “U” tegen hem, en ook wel “A”, de ambtelijke afkorting voor de ambassadeur. “Ik heb geen verstand van militaire zaken, maar Brinkman kon uitermate weloverwogen en soms zeer gedecideerd de zaken uiteen zetten”, zegt de diplomaat. “Hij zal nooit iets zeggen alleen omdat hij denkt dat het goed valt bij anderen. Hij is ook niet iemand die in een groot gezelschap sprankelende anekdotes gaat vertellen, eerder een man van understatements. Als ik hem morgen weer als medewerker zou krijgen, zou ik het toejuichen.”

Omgekeerd is dat de vraag. “Het leven in Brussel is aangenamer dan waar ook”, zegt Brinkman. “Maar de functies zijn meer adviserend en diplomatiek. Die (functies) kan ik wel aan, maar men denkt dat wij dat leuk vinden, ik en mijn vrouw. En dat is ook zo, maar professioneel gesproken was dat nooit mijn keus.”

Brinkmans beste dagen moesten nog komen. Het leger raakte in een draaikolk, maar zijn carrière stevende rechtuit. Volgens sommige collega's dankte Brinkman dat - behalve aan zijn scherpe analyses en zijn moderne opvattingen over het besturen van de krijgsmacht als een bedrijf - ook aan de protectie van generaal Rien Wilmink, bevelhebber van de Landmacht. “Die hield wel van zo'n onafhankelijk denker”, zegt een hoge militair.

Van die onafhankelijkheid had Brinkman inmiddels een spijkerhard principe gemaakt. “Als de generaal zegt dat we linksaf moeten en ik vind dat rechtsaf beter is, volg ik hem natuurlijk maar tot het laatste moment zal ik hem blijven tegenspreken”, zegt Brinkman. “Dat is misschien wel eens irritant, maar ik ben ervan overtuigd dat het beter is voor een organisatie.”

Die karaktertrek bracht hem ook met Wilmink in aanvaring toen Brinkman, kort na de val van de Muur, voorstelde om het afschaffen van de dienstplicht op zijn minst serieus te onderzoeken. Anders zou de kwestie “doorzieken” en later, “met meer schade voor de Landmacht” terugkeren. Volgens de memoires van Wilminks opvolger, generaal Hans Couzy, die Brinkman overigens niet bij naam noemt, ervoer Wilmink dat als “vloeken in de kerk” en gaf hij Brinkman een uitbrander: “Dit is eens maar nooit weer!”

Wilmink verruilde kort daarop het Nederlandse leger voor een hoge post bij de NAVO en Brinkmans gedachten-experiment over een beroepsleger kreeg, onder een schipperende Couzy, ten slotte zijn beslag. Jan Dirk Blaauw (VVD), voormalig voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Defensie, herinnert zich nog hoe Brinkman “een magistrale briefing” gaf over de zevenhonderd reorganisatieprocessen die toen bij de Landmacht liepen. “Hij zei niet: 'Dat hebben jullie ons aangedaan', maar: 'Dat hebben wij onszelf aangedaan'. Dat was een leuke nuance.”

Brinkman mocht zelf de eerste beroepseenheid, de Luchtmobiele Brigade, leiden. Met zijn nieuwe baas Couzy, eerder dit jaar met tumult vertrokken, zou hij eveneens een moeizame verhouding hebben. Iets daarvan is merkbaar als Couzy in zijn memoires suggereert dat de brigade naar Srebrenica werd gezonden omdat hij die nieuwe eenheid maar al te graag in het diepe wilde gooien. “Hij (Brinkman) zag nauwelijks knelpunten”, schrijft Couzy. “Dat is een beetje goedkoop”, zegt Brinkman nu, “want Couzy heeft dat besluit zelf gesteund. Maar ik sta er nog steeds achter; toen was alles rustig en kon niemand de tenenkrommende afloop voorzien.” Brinkman volgde die vanuit een nieuwe functie op de televisie.

'Bosnië', waar Brinkman in 1994 - 1995 een half jaar chef-staf van UNPROFOR was, heeft niettemin zijn vertrek uit de krijgsmacht ingeleid. Dat had weinig te maken met ontberingen, strijdgewoel of de elastische moraal die vereist is om namens de internationale gemeenschap uitzichtloze zaken te doen en een glaasje te drinken met erkende oorlogsmisdadigers als generaal Mladic.

Misschien kwam het door de moeizame verhouding tussen Brinkman en zijn baas in Sarajevo, de zeer Britse luitenant-generaal Sir Michael Rose. Na een veelbelovend begin, liep Rose zich steeds vaker klem in het machteloos-neutrale VN-mandaat. Rose was vaak op reis, deed rechtstreeks zaken met zijn commandanten en sprak soms weken achtereen niet met zijn chef-staf, laat staan dat hij hem als 'tweede man' beschouwde. Dat knaagde aan iemand die zichzelf ook niet als tweede man ziet. Brinkman begon er te beseffen dat hij zich niet kon ontplooien. Hij was onder protest naar Sarajevo gekomen - niet uit angst maar omdat hij zijn brigade-in-opbouw niet in de steek wilde laten. Bij terugkeer werd hij onmiddellijk overgeplaatst naar Duitsland, waar hij de eerste multinationale divisie (MND) van de NAVO ging leiden, waarin Duitsers, Britten, Belgen en Nederlanders deelnemen.

“Wat de Luchtmobiele Brigade is voor het Nederlandse leger, is de MND voor de NAVO van na de Koude Oorlog”, zegt Joris Jansen Lok, analist bij het gezaghebbende tijdschrift Jane's Defense Weekly. “Brinkman heeft ze allebei zeer capabel geleid.” Dat zeggen zijn collega's onder en boven hem eveneens unaniem. Maar Brinkman zelf is er niet gelukkig geworden. “Ik was graag wat later generaal geworden als ik eens een job had mogen afmaken”, zegt hij. “Dat is mijn kracht: een eenheid vormen en tot grote hoogte sturen. Ik ben een Maker.”

Na de MND kreeg Brinkman het bevel aangeboden over de Nederlandse Eerste Divisie. Dat had op 1 oktober moeten ingaan. Volgens kolonel Leo Noordzij, die als zijn persoonlijke assistent in Sarajevo zes maanden lief, leed en soms een glas Ballantines met Brinkman dronk, heeft hij die benoeming - opnieuw bij een divisie en dan nog zonder het internationale prestige van zijn vorige bevel - niet uitgelegd als een bevordering.

Brinkman ontkent dat en zegt zelf om de post te heben gevraagd. “Ik heb een tijd gedacht dat een toekomst bij de Landmachtstaf mij toelachte. Daarom woon ik ook in Wassenaar. Men zag mij als een planner, maar ik heb de laatste jaren ontdekt dat ik het niet alleen op papier maar ook in werkelijkheid wil zien. Bij de Eerste Divisie, die nu helemaal wordt gereorganiseerd, hoopte ik voor het eerst iets te kunnen afmaken.”

Haagse topmilitairen zeggen dat Brinkman tot voor kort wel degelijk een hoge staffunctie ambieerde. Maar zijn hoekige karakter en onconventionele optreden - dat binnen de krijgsmacht “briljant” wordt genoemd, maar ook “dwars” en “arrogant” - zouden dat onmogelijk hebben gemaakt. De deze zomer aangetreden bevelhebber, luitenant-generaal Maarten Schouten, heeft volgens militaire bronnen Brinkmans benoeming als zijn plaatsvervanger geblokkeerd. In 1994 ressorteerde Brinkman als commandant van de Luchtmobiele Brigade onder Schoutens Eerste Legerkorps. Hij zou Schouten toen van zich hebben vervreemd door hem bij verscheidene gelegenheden te passeren en “rechtstreeks met Den Haag zaken te doen”.

“Iedereen in de staf was overtuigd van zijn capaciteiten, maar niemand wilde nog met hem samenwerken”, zegt een insider. “Dat is hem gezegd. Daarna heeft hij om het bevel over de Eerste Divisie gevraagd. Veel andere mogelijkheden waren er trouwens niet meer.” Schouten wilde geen commentaar geven.

Over de cultuurschok die deze militair in de politie teweeg zal brengen zijn de meningen verdeeld. Rotterdam krijgt er in elk geval een ego bij. Insiders in de Rotterdamse politie waarschuwen dat dat op termijn nog wel eens kan botsen met dat van burgemeester Peper. Die ontkent dat: “Hij is heel low key”, zegt Peper in zijn werkkamer aan de Coolsingel. “Ik hou niet van macho's, in spierballen zit vaak lucht. Brinkman is iemand die op grond van een fantastische ervaring en gevoel voor de troepen bedachtzaam een organisatie op koers kan zetten. Hij heeft een natuurlijk gezag.”

Tot 1 oktober, als hij in Rotterdam begint, doet Brinkman huiswerk. Zo leest hij een boek over de mafia, “omdat ik vind dat ik toch ook iets over zware misdaad moet weten”. Tijdens zijn vakantie - de eerste sinds jaren - las hij stukken uit de bestseller Emotional Intelligence, van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Daniel Goleman, die oppert dat karakter en leiderschap minder gebaat zijn bij een bovengemiddeld IQ dan bij zelfdiscipline. Wie sinds zijn jeugd heeft geleerd impulsen te weerstaan, is niet alleen beter bestand tegen stress en frustratie maar ook gelukkiger. Een openbaring? Ja. Of nee, toch niet. “Ik herkende er veel van mezelf in”, zegt Jan Willem Brinkman met een glimlach.