ELKE SPORTVISSER HEEFT ZIJN GEHEIM

Geschoonde duivenmest met paneermeel, maden en zaden. Vijf minuten plonzen en drie uur vissen. Zaterdag streden 175 sportvissers in Zuidhorn om de nationale titel zoetwaterhengelen. “Voorwaarde is feeling hebben met de natuur.”

Langs de boorden van het kanaal heerst een serene rust. Mannen in overalls, mannen in spijkerbroek en mannen in stormkledij staren roerloos in het grauwe maar rimpelloze water. Het ritueel van het collectieve zwijgen wordt slechts af en toe onderbroken door gespartel of gebrom. Een tegenstribbelende vis of een voorbijvarende vrachtschuit.

Wie zich zaterdag rond het middaguur langs de oevers van het Van Starkenborghkanaal bij Zuidhorn beweegt, waant zich in een stomme film. Verspreid over een lengte van ruim drie kilometer zitten 175 sportvissers gebroederlijk naast elkaar. Twaalf meter scheidt hen van elkaar, maar gesproken wordt er niet. Want sportvissers praten niet, sportvissers turen slechts.

Iedere deelnemer heeft zijn eigen territorium. De repen kleigrond zijn door loting aangewezen, afgezet met touwen en voorzien van een nummer. De bermvakken liggen stuk voor stuk bezaaid met omvangrijke hoeveelheden visattributen en -benodigdheden. Van dobbers tot voederbakken, van hakenstekers tot peillood. De halve inhoud van menige schuur is zaterdag voor de gelegenheid verplaatst naar het Groningse land.

Inzet van de strijd langs - maar eigenlijk vooral in - het water tussen Zuidhorn en Aduard is de nationale titel zoetwaterhengelen. Het individuele kampioenschap staat onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties (NVVS), de belangenorganisatie van vissend Nederland. De bond telt 20 federaties, 900 hengelsportverenigingen en ongeveer 360.000 geregistreerde leden.

Om tien uur klinkt het eerste signaal. De voorbereiding is begonnen. Snoeren worden aangelijnd, haken worden bevestigd. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Exact één uur later volgt een tweede schot met het luchtdrukpistool waarna 350 handen onophoudelijk beginnen te graaien in 175 plastic emmers. Overal persen en kneden de deelnemers hun lokvoer tot reusachtige ballen die vervolgens een voor een in het water plonzen. Het kanaal wordt binnen een mum van tijd bedolven onder een bombardement van lokvoer. Tientallen, wellicht honderden kilo's lossen op in het water.

De meeste vissers mikken op eigen kracht. Sommigen gebruiken een katapult en bereiken zodoende bijna de overkant van het 58 meter brede kanaal. Het resultaat mag er zijn. Met de precisie van een scherpschutter belandt het voer in negen van de tien gevallen op de plaats van bestemming, de plaats waar de visser de meeste vis denkt te kunnen verschalken. “Wie niet kan mikken, die kan niet vissen”, verzekert een toeschouwer op de aangrenzende dijk.

Na vijf minuten klinkt het derde signaal en staken de vissers abrupt het zogenaamde 'plonzen'. De stellingen worden betrokken. Het grote zwijgen begint. Zoniet op de dijk waar de belangstellenden zich verzameld hebben. Daar discussiëren kenners en volgers met een heftigheid zoals alleen supporters dat kunnen. Geen onderwerp blijft onbesproken. Als het maar raakvlakken heeft met de vissport.

Visserslatijn blijkt de voertaal. Termen als 'feeder', 'vlonders' en 'zinkvissen' worden als vanzelfsprekend verondersteld en wie het jargon niet machtig is, kan terecht bij Martin van der Aar. De vijftigjarige Limburger staat bekend als een verwoed visser, maar moet zaterdag genoegen nemen met een plaats tussen de toeschouwers. Bij de voorwedstrijden wist het voormalig lid van de nationale selectie onvoldoende grammen bijeen te vissen.

Van der Aar vertelt over de samenstelling van het lokaas. De bereiding daarvan wordt al sinds jaar en dag omgeven door een waas van geheimzinnigheid. Tot in de jaren zeventig hield iedere visser de ingrediënten van zijn brouwsel angstvallig geheim, weet Van der Aar. “Vroeger had iedere smid zijn eigen geheim. Tegenwoordig is dat minder, hoewel sommigen nog steeds zweren bij een bepaalde formule en niemand daar ook maar iets over willen vertellen.”

Zelf geeft Van der Aar de voorkeur aan geschoonde duivenmest om het mengsel van paneermeel, maden en zaden aan te lengen. “Voornamelijk vanwege de amoniak. Dat trekt vissen aan.” Liefst vijfhonderd kilo heeft hij thuis naar eigen zeggen opgeslagen in de diepvrieskist. Als Van der Aar kennis neemt van de verbazing bij zijn gesprekspartner, verschijnt een stevige grijns op zijn gezicht. “Zoals wij thuis in Tegelen zeggen: je moet echt een klap van de natte dweil hebben gehad. Vissen beheerst mijn leven.”

Van der Aar werd tien jaar geleden afgekeurd door de bedrijfsarts en besteedt sindsdien zeven dagen per week aan de vissport. De vraag wat een visser tot een goede visser maakt, beantwoordt hij dan ook in een handomdraai. “Veel vissen, heel veel vissen. En, niet te vergeten, oog hebben voor details. Ieder water heeft zijn eigen nukken. Het is de kunst om daar optimaal gebruik van te maken.”

In Nederland werpen naar schatting anderhalf miljoen mensen jaarlijks een hengel uit, zo heeft de NVVS becijferd. De landelijke top wordt gevormd door bijna drieduizend vissers voor wie hun hobby meer is dan zomaar wat aanrommelen langs de waterkant. Zo is voor de gemiddelde sportvisser een uitrusting van ruim tienduizend gulden eerder regel dan uitzondering. Van der Aar: “Maar laten we eerlijk zijn. De vis maakt geen onderscheid tussen een stok of een hengel van carbonfiber.”

Het voorvoegsel 'sport' blijkt geen toeval. Vissen is het domein van de vrijblijvende recreant, sportvissen het vakgebied van de doorgewinterde wedstrijdhengelaar. Vraag het bondscoach Jan Aben. “Vooral door het competitie-element is het wedstrijdvissen wel even iets meer dan zomaar een hengeltje uitgooien. Proberen om onder gelijke omstandigheden de beste en de slimste te zijn, dat is niet voor iedereen weggelegd. Bovendien moet dat lijf werken. Denk niet dat het een kwestie is van alleen maar die hengel optillen. Een paar uur achtereen helemaal supergeconcentreerd zijn, gaat je niet in de kouwe kleren zitten.”

Volgens Aben (51), directeur van een reclame-bureau, is sportvissen een niet te onderschatten combinatie van tactiek en techniek. “Hoe behendig ben je? Hoe vergroot je de eigen kansen om 'n dikke te vangen? De factor-geluk is minimaal.”

Sportvissen vergt hengelsport-intelligentie, aldus Aben. “Voorwaarde is feeling hebben met de natuur. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, maar wel over een goed stel hersens beschikken.” De uitgebreide wedstrijd-reglementen dienen wat dat betreft als voorbeeld. Wie de voorschriften van A tot Z uit zijn hoofd wil leren, heeft daar bijna een dagtaak aan. Zo mag bij het NK met één hengel (maximale lengte 14,50 meter) worden gevist, is het gebruik van kleurstoffen verboden en mag de hengelaar tijdens de wedstrijd geen hulp van buitenaf ontvangen. Zondaars worden zonder pardon gediskwalificeerd.

Om exact twee uur klinkt het eindsignaal. Deelnemers halen hun hengel aan wal en beginnen in afwachting van de wegingscommissie voorzichtig de eerste spullen in te pakken. De vangst valt over het algemeen tegen. Aben weet waarom. “Velen hebben vandaag overdreven met voeren. Ze hadden zich ingesteld op onrustig water door de scheepvaart. Maar wat blijkt: vijf bootjes zijn voorbij gekomen en zowel het water als de vis was niet op drift.”

Peter Dorgelo tilt vlak voor het verstrijken van de tijd twee brasems - “Twee platte”, aldus Aben - uit het water, met 1,693 kilogram samen goed voor de eerste plaats. De hengelaar uit Almelo begon de wedstrijd met muggenlarven aan de haak, maar besloot in het laatste half uur over te schakelen op wormen. Het bleek een gouden greep. Of in de filosofie van Aben: een blijk van hengel-intelligentie.