Brug als locatie beperkt Hollandia slechts

Voorstelling: Varkensstal van Pier Paolo Pasolini door Hollandia. Vertaling: Rob de Graaf. Regie: Johan Simons/Paul Koek. Decor: Leo de Nijs. Spel: Frieda Pittoors, Benjamin Verdonck, Robijn Wendelaar, Jos Verbist e.a. Gezien: 14/9, IJzerenburg, Antwerpen. Aldaar t/m 12/10. Inl. 075-6310231.

De traditie van theatergroep Hollandia om op locatie te spelen pakt vaak goed en verrassend uit - en soms niet. In 1992 speelde de groep Kuschwarda City van Herbert Achternbusch in een oude mouterij. Hoofdpersonage was een stadsnomade, die vanzelfsprekend thuishoorde in de industriële bouwval. Wat me toen echter stoorde, was de verhuizing van publiek en acteurs, per tekstdeel, van de ene ruimte naar de andere. Zonder dat omslachtige gedoe was de locatie op zichzelf al metaforisch genoeg. Hollandia onderstreepte ten overvloede wat al duidelijk was.

Aan de IJzerenbrug in Antwerpen waar de groep nu Pier Paolo Pasolini's Varkensstal (Porcile, 1967) speelt, kleeft een nog groter nadeel. De brug, toevluchtsoord van al het onaangepaste, heeft weliswaar alles te maken met de roemruchte hang van de schrijver naar de zelfkant van de samenleving, maar helemaal niets met zijn stuk. Onder de brug heeft decorontwerper Leo de Nijs een gedeelte afgeschot met plastic wanden, waarachter het publiek argeloze voorbijgangers kan waarnemen. Het eerste deel van het stuk, het exposé, speelt zich af op een steiger, het tweede deel in een loopgraaf. Wederom moet het publiek verhuizen, van tuinstoeltjes naar tegenover elkaar geplaatste tribunes met oude treinstoelen.

Varkensstal is een filosofisch tractaat, over het dilemma tussen aanpassing of opstand. Het is onderbouwd met een verhaal zonder al te veel handeling. De zoon van een rijke, corrupte industrieel komt niet direct in opstand tegen zijn omgeving: hij vlucht en brengt zijn tijd liefst door in een varkensstal. Die voorkeur wordt hem, na een deus-ex-machina-scène waarin de filosoof Spinoza figureert, noodlottig. Dat wil zeggen, mogelijk kiest hij voor zijn dood, zoals Pasolini zelf mogelijkerwijze deed toen hij in 1975 door straatjongens vermoord werd.

Het beste bewijs dat de locatie niet bij dit stuk hoort, leveren de regisseurs zelf. Gedwongen door het geraas van het verkeer, laten zij hun acteurs door microfoons spreken. Ze nemen de kenmerken van de locatie niet voor lief en laten die niet in hun voordeel werken, nee, in plaats van mede-acteur wordt de locatie een tegenstander. Die bedwongen en overwonnen moet worden. De microfoons bepalen de enscenering in hoge mate: belangrijkste stijlkenmerk is de statische mise-en-scène, die nog eens versterkt wordt door een uiterst gekunsteld spel.

Dat spel varieert van personage tot personage; Frieda Pittoors als de moeder van de jongen is kennelijk het meest verpletterd door haar hogere-burgermansbestaan en beweegt en praat als een tinnen soldaat. Anderen bewegen zich losser, maar ook zij blijven, eenmaal aan het woord, gebonden aan één plek, met de microfoon in hun krampachtige vuist. Die krampachtigheid ondergraaft alles. Pasolini's eigen ijzingwekkende verfilming van Porcile speelt op het platteland, Beiers, in en in Duits. Het is een ogenschijnlijk vredige pastorale met een verstikkende ondertoon, waarvan het kannibalistische slot tegelijkertijd toppunt van gruwel en bevrijding is. Van dat effect is geen spoor te bekennen in Hollandia's enscenering. De beperkingen die Hollandia zichzelf met de locatie oplegt zijn inderdaad alleen maar beperkingen, zonder meerwaarde. Wat een kwaliteit kan zijn, keert zich in volle vaart tegen de voorstelling. Wat, gezien de verfilming, meeslepend en beklemmend kan zijn, is vermoeiend, gekunsteld, geforceerd en saai. Hollandia stelt het volste vertrouwen in de 'sensatie' van een plek - en krijgt er niets voor terug.