Alleen de Servische politie weet hoe het moet

TUZLA / SARAJEVO 16 SEPT. Op het militaire terrein van de vredesmacht IFOR bij Kalesija, vlakbij Tuzla, staat in een niemandsland van afgebrande en vernielde huizen een honderdtal moslim-vluchtelingen te wachten om gefouilleerd te worden. Ze moeten eerst 'wapenvrij' zijn, voordat ze per bus de grens over mogen naar de Servische Republiek.

De mannen, vrouwen en kinderen op het militaire terrein horen tot de kleine groep Bosniërs die zaterdag op verkiezingsdag de overtocht heeft gewaagd: slechts 13.500 van de 850.000 vluchtelingen in Bosnië hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid te stemmen in de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan komen.

De meeste vluchtelingen namen niet deel aan de verkiezingen, of ze stemden in de plaats waar ze tegenwoordig wonen. De belangrijkste reden voor de reis is de hoop dat ze hun oude woonplaatsen terugzien. “Ik wil maar één ding: de plek terugzien waar ik ben geboren”, zegt Senad Tucic, die in 1992 uit Zvornik is verdreven. Hij woont tegenwoordig in Tuzla in een deels afgebrand huis dat vroeger van Serviërs was. Hij heeft geen baan en geen geld en hij wil er weg. “Ik kan niet in vrede leven als ik niet terug kan naar mijn huis en mijn land. Ik wil niet meer in een huis wonen met nog drie andere gezinhnen. Ik kan er niet meer tegen. We zijn zo wanhopig. Alles wat wij bezitten hebben we achtergelaten aan de andere kant. Als er niks verandert, ben ik bereid te vechten om terug te gaan.”

Verderop staat Rasim Alibasic, leunend tegen de slagboom voor het militaire terrein. Hij heeft geprobeerd twee Amerikaanse IFOR-militairen uit te leggen dat zijn bus verderop is tegengehouden door de Servische politie. Maar ze verstaan hem niet en negeren hem. “We willen stemmen in Caparde, want daar komen we vandaan”, zegt hij. “Maar de Serviërs zeggen dat we naar Kula moeten. Wat moet ik mijn mensen vertellen? Waarom wil niemand mij helpen?”

De aangehouden bus staat een paar kilometer verderop, omringd door vier kleuren uniformen: het blauw van de Servische politie, het groen van de IFOR-militairen, het donkerblauw van de VN-politie en twee witte petten van waarnemers van de Europese Veiligheidsorganisatie OVSE. Niemand weet wat er moet gebeuren, behalve de Servische politie, die volhoudt dat de bus òf terugmoet naar Tuzla, òf naar het vijf kilometer verderop gelegen Kula moet. Op veilige afstand van de dorpen waar vroeger vooral moslims woonden en nu Serviërs, is daar een stemkantoor ingericht.

“Ik heb in Kula niks te zoeken”, zegt Mirzet Karic, een van de passagiers van de bus, die tegenwoordig in Kalesija woont. “Ik kom uit Caparde, dus ik wil in Caparde stemmen. Maar de Serviërs laten ons er niet door.” De verkiezingsdag is de enige kans om zijn huis terug te zien, zegt Karic. “In mei van dit jaar zijn we teruggeweest maar toen werden we met stenen bekogeld. Maar het kan mij niet meer schelen of ze me doden. Mijn leven heeft zo toch geen zin.”

Pagina 5: Pas als ik terug kan, kan ik in vrede sterven

Karic weet niet of de verkiezingen de terugkeer zullen bespoedigen. Maar hij weet wel dat als er geen oplossing komt, de oorlog opnieuw zal beginnen. “Ik ben klaar om te vechten voor mijn huis. Net toen we aan de winnende hand waren, hebben ze ons tegengehouden met het verdrag van Dayton.” Hasim Kopic, een man met bruine ogen die wel lijken te branden, zegt: “Ik ben oud, maar ik zou zo weer vechten. Ik houd dit niet meer uit. Als je geen huis hebt, kun je niet leven.” Een grote blonde Nederlandse VN-politieman vertrouwt de boel niet: “Hoe weten wij eigenlijk dat deze mensen echt uit Caparde komen?”, vraagt hij. Op de vraag of ze hun herkomst kunnen bewijzen, steekt iedereen tegelijk een identiteitskaart de lucht in. “We komen allemaal uit Caparde”, roepen ze “we willen nergens anders stemmen.” De VN-politieman: “Oh ja, dus toch.” Dan zegt hij: “Ze kunnen twee dingen doen: naar Kula gaan, of hier wachten. Maar dat wachten kan lang duren en om zeven uur zijn de stembureaus dicht.”

In Kula is in de vrije natuur op een afgelegen grasveld een stemlokaal ingericht dat wordt bewaakt door Servische politiemannen op de grond en IFOR-helikopters in de lucht. Dit is de plaats waar de Bosnische Serviërs de moslims die in de omgeving uit hun huizen zijn verdreven, vandaag in de gelegenheid stellen om te stemmen.

Aisa Alibasic, een vrouw met een gebloemde hoofddoek om, staat in de lange rij voor het stemkantoor. “We hadden gehoopt dat we vandaag onze huizen zouden terugzien. Maar het stemkantoor ligt te ver weg.” Ze wijst naar het bos om zich heen en zegt: “Ik heb hier nog nooit gestemd. Ik had willen stemmen in het dorp waar ik vandaan kom.”

We hebben maar een wens, zegt Hava Ramic, een vrouw met blond haar die ook in de rij staat: “Teruggaan naar onze huizen.” Aisa Alibasic zegt: “Ik zou zelfs dood nog terug willen. Pas als ik terugkan, kan ik in vrede sterven.” Merima Burek, die tegenwoordig in Tuzla woont, gaat op de moslim-partij SDA stemmen, zegt ze. Ze is er niet van op de hoogte dat dat niet kan, omdat die partij in het Servische deel van Bosnië niet op de lijst staat. “Dan vind ik wel iemand anders die wel op de lijst staat”, zegt ze. “Iemand die voor een verenigd Bosnië is en ons kan helpen om terug te keren.”

Vijftig kilometer zuidwaarts, op de weg door de bergen van Kladanj in de mosliom-Kroatische federatie naar Vlasenica in de Servische Republiek, staan voor een stemkantoor aan de kant van de weg twee volgeladen bussen. Eromheen staan de Servische politie, IFOR-militairen, VN-politie en OVSE-waarnemers. “Ze weigeren hier te stemmen”, legt een Servische politieman uit. “Ze willen naar Vlasenica. Maar er is vooraf gepland dat ze hier stemmen.” In het stadje Vlasenica is het vandaag al te druk, zegt de politieman “er zijn al zoveel bussen met stemmers uit Servië, we kunnen deze er niet nog bij hebben.”

In de bus leggen tien mannen tegelijk uit wat er aan de hand is. “We komen uit Vlasenica, daar willen we stemmen. Ze moeten ons erdoor laten, ze hebben ons beloofd dat het vandaag veilig zou zijn om naar Vlasenica te gaan.” Een vertegenwoordigster van de OVSE, de organisatie die de verkiezingen in Bosnië organiseert, komt de bus in. Ze legt uit dat er gestemd moet worden in de daarvoor aangewezen stemkantoren, want zo was het afgesproken. “Als u ervoor kiest hier niet te stemmen, kunt u de bus verlaten en naar Vlasenica lopen”, zegt ze. “Maar dan kunnen wij niet instaan voor uw veiligheid.” De mannen in de bus roepen: “Nee, we willen hier niet stemmen, wij komen uit Vlasenica, wij willen terug.”

De vertegenwoordigster van de OVSE zegt: “Dit is een hele belangrijke dag. Ik zou teleurgesteld zijn als u niet van de kans gebruik maakt om te stemmen.” De mannen in de bus roepen: “Dan gaan we terug, we gaan terug naar Kladanj.”

Als de bus rechtsomkeerts maakt naar Kladanj heeft niemand de inzittenden verteld dat ze ook in Kladanj hun stem niet kunnen uitbrengen. Daarvoor hadden ze namelijk van tevoren een 'P-2 formulier' moeten invullen, het formulier dat kiezers in staat stelt te stemmen in de plaats waar ze voor de oorlog nog niet woonden. In Sarajevo verklaart het Amerikaanse hoofd van de OVSE-missie, Robert Frowick, deze avond: “De verkiezingen zijn zonder noemenswaardige incidenten verlopen. Dit was een historische dag. Er is een essentiële stap gezet om het concept van Bosnië een kans te geven.”