Zo'n overhemd

Het hoort tot de dingen waarop je pas gaat letten als ze veranderen, en in dit geval is het geen wonder dat de veranderingen zo lang op zich hebben laten wachten. Ik bedoel het overhemd. Samengevat is de voorgeschiedenis politiek beladen. Mussolini had zijn zwarthemden, de SA marcheerde in bruine hemden, de anarchisten hebben ook een voorkeur voor zwart.

Na de oorlog was dat vanzelfsprekend allemaal voorbij. Van lieverlee zijn toen de progressieve intellectuelen weer donkere hemden gaan dragen. De kleur was niet van groot belang. Donkerblauw leek omstreeks de jaren zestig het beste, misschien door de associaties met de blauwe overall in het algemeen, en vooral met de Franse arbeiderskiel, van een verschoten blauw dat nergens anders voorkomt. Jean Gabin-blauw. En nergens zijn de intellectuelen meer met de arbeidersklasse verbonden dan in Frankrijk.

Intussen was de NATO opgericht waarna het nog een jaar of twintig heeft geduurd voor de kleurentelevisie hier gemeengoed begon te worden. Op internationale conferenties zag je Amerikaanse diplomaten en journalisten gestreepte overhemden dragen, wit met bleekblauw. Mannen van enig niveau die in Amerika waren geweest, een week maar, hadden zo'n overhemd gekocht, het liefst buttoned down, d.w.z. met knoopjes aan de punten van het boord. De betekenis van de knoopjes is gering. Na het strikken van je das blijft het boord in 999 van de 1000 gevallen staan in de stand waarin je het hebt neergeklapt en het is altijd een gezeur met de knoopjes voor de mannen die een das dragen.

In die tijd was in West Europa een blauw-wit gestreept overhemd het teken dat je hoorde tot het geletterde deel der beter gesitueerden en dat je aan de kant van het Vrije Westen stond; een donkerblauw of donker in een andere kleur dat je vraagtekens zette bij de Amerikaanse politiek, of uitgesproken tot de Derde Weg hoorde, of gewoon communist was. Een duidelijke mannenmode was er in die tijd nog niet. Alleen het overhemd was bedekt, stilzwijgend gepolitiseerd. Witte overhemden werden gedragen door het bankpersoneel. Zo wordt al duidelijk dat aan het kopen van een overhemd meer dan louter esthetische overwegingen vooraf gaan.

Ik heb het niet van jaar tot jaar bijgehouden maar mijn geheugen zegt me dat het overhemd na de jaren van politisering een neergang heeft beleefd. De heren die in de voorhoede zaten begonnen een coltrui te dragen, warm breiwerk dat tot juist onder de adamsappel reikte. Achteraf bezien is dat misschien een overgangstijd geweest: van gepolitiseerd naar modebewust. Nadat de coltrui zich eenmaal als 'model' - hoe zullen we het zeggen - klederdracht had gevestigd, schrok men voor geen kleur terug: signaalrood, okergeel, azuurblauw. Vooral in de weekeinden werd er gedurfd.

Maar een trui is een trui, en als zich door alle twintigste-eeuwse revoluties één armatuur van de herenkleding heeft gehandhaafd, dan is het de das. Het zou me verbazen als er niet eens een essay over is geschreven. Ik geloof dat de das het overhemd heeft gered, en niet andersom. Halverwege de jaren tachtig, toen wel werd beseft dat privatisering, deregulering en groei van de vrije markt onomkeerbaar waren, kwam de das terug en daarmee het nette overhemd. Zoals in zoveel opzichten is 1989 hier het jaar van het keerpunt.

Er werd teruggegrepen op beproefde designs met dien verstande dat her en der een vleugje eigentijdse creativiteit werd toegevoegd. Het wit en blauwe streepje heeft zich onveranderd gehandhaafd en hoort intussen tot de garderobe van iedere jongeman die hogerop wil en een beetje op Internet surft. Ik zie daar niets kwaads in. Maar er is een andere variant op het donkere effen overhemd: die van het witte boord. Ik reconstrueer de wordingsgeschiedenis als volgt.

Het boord is het deel van het overhemd dat het eerst vuil wordt. In de tijd dat er nog geen wasmachines bestonden, had je daarom het losse boord dat met een paar knoopjes aan het 'casco' kon worden vastgemaakt. Boorden werden iedere dag gewassen, de rest kon wel een week mee. Dat werd ouderwets, je kreeg de overhemden van kunstvezels die kreukvrij waren, en de wasmiddelen waarvoor je niet eens meer een machine nodig had. De wasbak vol water, Dreft erin, overhemd even laten weken, uitspoelen, ophangen, en de volgende dag zag het eruit alsof het 'van de Chinees kwam'. (Chinezen waren in westelijke landen de beste overhemdenwassers en strijkers). Toen is een modemaker op het idee gekomen, een modern overhemd aan een oud boordje te koppelen. Het sloeg aan en zo zie je nu mannen met witte boorden op donkere overhemden.

Is het mooi? Lelijk? Wie zal het zeggen; wie zal zich op dit gebied tot arbiter uitroepen. Maar het valt op, en zoals ik aan het begin zei: dan ga je erop letten. De laatste die ik met zo'n gemonteerd overhemd heb gezien is prof. Diekstra. Vóór hem herinner ik me staatssecretaris Robin Linschoten. Daarvoor weer de trainer van een voetbalelftal en de directeur van een oliemaatschappij.

Je kunt niet generaliseren. Maar toch. Er schoot me een historisch moment in de Nederlandse politiek te binnen. D'66 was nog niet lang geleden opgericht; de partij weigerde zich te encanailleren met de gevestigde orde. De heren Geertsema (VVD) en Van Mierlo raakten in openbaar debat. Geertsema wees op zijn opponent, en zei: Als u nu moet kiezen, nu, met het pistool op de borst!

Dat bedoel ik. Er hangen twee hemden, de ene mèt zo'n boordje en de andere zonder, en u als man, of vrouw die de overhemden koopt, moet kiezen, met het pistool op de borst: wat dan?

P.S. In het stuk Kop op! van vorige week heb ik twee Van Schelvens door elkaar gehaald. Dr. A. van Schelven, arts, was verbonden aan de Nederlandse Ambulance voor Abessinië (1935); zijn broer, dr. Th. van Schelven, zenuwarts, de auteur van Wat maakt u van uw Leven?

    • S. Montag