We kunnen best zonder gedeelde moraal

Het debat over de moraal herleeft. Heel Nederland lijkt wel op zoek naar gemeenschappelijke normen en waarden, signaleert Sjaak Koenis. Ten onrechte, vindt hij. Een pluriforme samenleving is veel interessanter. Staak daarom de tobberige zoektocht naar gemeenschappelijke normen en waarden, en steek meer energie in de verbetering van de dienstverlening door de instanties die onze verzorgingsstaat schragen.

Van links naar rechts, iedereen heeft het over gedeelde normen en waarden. Zelfs in de tijd van Van Agt was de moraal niet zo populair. Het

heeft de moraal, en dan vooral het gezin als plek waar deze wordt overgedragen, herontdekt als stok om de paarse coalitie mee te slaan.

En met succes. Ook liberalen tobben nu over de moraal. In de

zijn ze er nog niet helemaal uit of moraliseren mag, maar Bolkestein, altijd al voor de troep uit, brengt normverval in verband met de teloorgang van traditionele leefverbanden. D66-minister Sorgdrager heeft zich ook al publiekelijk over het belang van gedeelde normen en waarden uitgelaten.

En de sociaal-democraten? René Cuperus vertelt in Socialisme en Democratie dat hij heimwee voelt naar het

, omdat het eeuwenoude plechtanker van onze cultuur, het christendom, is weggeslagen. Hoe zal de publieke moraal zich ontwikkelen bij verdergaande secularisering? Zijn partijleider Wim Kok heeft zeker geen heimwee naar het

. Maar ook bij hem ontbreekt de retoriek van gemeenschappelijkheid niet, bijvoorbeeld in zijn Den Uyl-lezing, waarin hij sociaal-democratische politiek definieert als “de articulatie van het publieke belang - dat wat ons bindt”.

En buiten de politiek? De psychiater A. van Dantzig predikt in deze krant dat door iedereen gedeelde normen en waarden moeten worden geëxpliciteerd (bij voorkeur door de overheid) en in het geweten van burgers verankerd. J.L. Heldring, die toch niet verdacht kan worden van christen-democratische sympathieën, constateert dat de samenleving steeds verder losraakt van haar christelijke wortels: “Op welke beginselen beroept de moraal van de samenleving zich dan, nu niet alleen het geloof aan de christelijke beginselen steeds meer verdwijnt, maar ook de herinnering eraan?” De oplossing die Hans Boutellier op deze pagina heeft voorgesteld, de procedurele liberale ethiek, vindt Heldring maar niks. Volgens Boutellier zit in deze ethiek wel degelijk een inhoudelijk normatief criterium besloten, namelijk het besef van elkaars kwetsbaarheid.

Het lijkt wel of Nederland aan de rand van de afgrond staat en alleen een moreel offensief nog helpt. De ernst van deze situatie steekt echter schril af tegen de slordigheid waarmee over 'onze normen en waarden' wordt gesproken. Zo verwarren de meeste auteurs het ontstaan en de rechtvaardiging van normen met elkaar. Uit de - vreemd genoeg door vrijwel niemand betwiste - stelling dat de moraal van onze samenleving is voortgekomen uit het christendom, concludeert men ten onrechte dat het christendom ook altijd onontbeerlijk zal blijven voor de rechtvaardiging ervan.

Boutellier is zich hiervan bewust als hij schrijft dat met het verdwijnen van de grote christelijke beginselen nog niet alle morele uitgangspunten op de tocht staan. Maar dit gezegd hebbende, gaat hij net als de anderen onverdroten op zoek naar een gedeelde, ditmaal geseculariseerde, publieke moraal. Het is inderdaad opmerkelijk dat allen menen dat de maatschappij bijeen wordt gehouden door gedeelde normen en waarden, of een gedeelde publieke moraal.

Deze these is een nieuwe variant op de door Bart Tromp gesignaleerde vulgair-sociologische stelling uit de jaren zestig dat elk voorval opgevat moet worden als een symptoom van dieperliggende sociale fenomenen. De jaren-negentig variant hierop (ditmaal door links en rechts omarmd) is, dat elk sociaal probleem verband houdt met een gebrekkige overdracht van waarden en normen, die het bindmiddel van de samenleving vormen. Ook deze these is vulgair-sociologisch: onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau melden dat er geen aanwijzingen zijn dat onze samenleving collectief ten prooi is gevallen aan anomische wanorde.

Ik noem deze stelling de gemeenschappelijkheids-these. Wat is daar op tegen, gemeenschap en zo?

Dat Nederland op normatief vlak nog betrekkelijk solide in elkaar steekt, komt volgens Cuperus misschien door de veralgemenisering van christelijke normen. Dan zou de christen-democratie dus aan haar eigen succes ten onder gaan nu Nederland seculariseert?

Een plausibeler verklaring is dat de samenleving niet bijeen wordt gehouden door gedeelde normen en waarden. Wordt Nederland immers niet al eeuwen gekenmerkt door levensbeschouwelijk pluralisme? Als Nederland al zo lang gedijt in pluralistische verhoudingen - het heeft er zelfs de reputatie van tolerantie aan te danken - vanwaar dan dit cultuurpessimisme over verdwenen plechtankers? Of zijn die niet-christenen eigenlijk toch niet een beetje christelijk of (in het geval van Heldring) bang dat het volk dat niet meer is?

Zo'n benadering is te gemakkelijk, te veel op de man. Terug naar de zaak. Welke normen en waarden worden zoal genoemd? Liberalen noemen respect voor regels, eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, spaarzaamheid, inzet voor de publieke zaak, fatsoen en verdraagzaamheid.

Christen-democraten zweren bij een 'moraal voor het samen-leven'. Anders dan de seculiere en materialistische liberalen en socialisten gaat het hun om 'meer inhoudelijke' waarden als goed ouderschap, vakmanschap, nabuurschap, vriendschap, burgerschap, ook goed ondernemerschap, en 'op het diepste niveau' om de erkenning van de christelijke levensovertuiging.

In zijn recente rede over de Nederlandse identiteit in Europa noemt

-leider Heerma vrijheid, geloof en levensbeschouwing, pariteit (dat wil in de praktijk zeggen: voor bijzonder onderwijs evenveel geld als voor openbaar onderwijs) en gemeenschapszin als wezenlijke waarden van de Nederlandse identiteit.

Zoals wel vaker zitten sociaal-democraten ergens tussen liberalen en christen-democraten in. Naast 'formele' waarden als vrijheid en gelijkheid onderstrepen zij 'inhoudelijke' waarden als solidariteit, vriendschap, altruïsme, gemeenschapszin. Afhankelijk van de vleugel die zij bezetten neigen ze naar de liberalen in een afkeer van betutteling (Marcel van Dam), of naar de christen-democraten in een gezamenlijke afkeer tegen de moraal van de ruil (Thijs Wöltgens).

Al deze normen en waarden worden als bijzonder belangrijk ervaren, maar waarom eigenlijk? De punch line van het argument is steeds dat zonder deze waarden geordend samenleven niet mogelijk is, maar beargumenteerd wordt deze stelling maar zelden. Het is zo'n ingesleten (uit de verzuiling stammende) gewoonte om te zeggen dat normen en waarden beginselen rechtvaardigen, fundamenten leveren, enzovoort, dat hun sociale effecten niet worden onderzocht.

Allereerst is het nuttig om onderscheid te maken tussen exclusieve en inclusieve normen en waarden. De eerste geven een bepaalde invulling aan 'het goede leven', bepalen voor een individu of groep wat belangrijk is om na te streven. De laatste betreffen het samenleven van mensen die uiteenlopend denken over wat het goede leven is.

Waarom exclusief? Omdat mensen die fundamenteel verschillend denken over 'het goede leven' niet van zichzelf vinden dat ze deel uitmaken van één en dezelfde gemeenschap. De christen-democraat zal de atheïst wel als landgenoot, niet als lid van zijn gemeenschap erkennen. Zoals ze vroeger zeiden: een katholiek en een protestant op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.

Een typisch exclusieve norm is de erkenning van christelijke deugden als geloof, hoop en liefde. Van alle normen en waarden die tot nu toe aan de orde zijn geweest is dit het enige voorbeeld van een exclusieve norm. Zulke normen zijn tegenwoordig in Nederland zeldzaam: zelfs lokale fundamentalistische protestanten vragen alleen maar om het recht om in hun eigen gemeenschap hun eigen exclusieve normen na te kunnen leven (bijvoorbeeld het verbod op deelname aan de actieve politiek voor vrouwen), terwijl de claim van een christen-democraat als C.J. Klop verder gaat: religie is voor de gehele samenleving een onontbeerlijk fundament. (Bij andere gelegenheden wil hij ook het humanisme nog wel noemen - het gaat kennelijk om levensbeschouwing, ook al zijn humanisten 'van God los').

Exclusieve normen en waarden zijn inderdaad fundamenteel, maar alleen voor de eigen groep, en niet voor de samenleving als geheel. In een pluralistische samenleving werken ze niet als bindmiddel, maar als splijtzwam. Voor deze normen en waarden geldt dat het bestaan van een gemeenschap deel van het probleem is, niet van de oplossing. Gedeelde normen en waarden zijn eerder het gevolg dan de oorzaak van vormen van gemeenschap.

Wie lang genoeg in een bepaalde gemeenschap leeft en zich ermee verbonden voelt, zal zich een bepaalde normatieve stijl eigen maken: “Dit vinden wij hier belangrijk”. Voor 'binnenstaanders' zijn die normen inderdaad mechanismen van integratie en socialisatie, maar voor 'buitenstaanders' zijn diezelfde normen mechanismen van uitsluiting: wij horen er niet bij.

Daarmee is niet gezegd dat gemeenschappen binnen onze samenleving niet mogen of kunnen bestaan, wel dat ze hun exclusieve normen en waarden niet aan anderen moeten opleggen. Met het jargon van gemeenschappelijkheid is dus voorzichtigheid geboden. Voor groepen die bepaalde normen niet delen en die toch op hun manier heel deugdzaam zijn, kan het als een judaskus uitpakken.

Inclusieve normen en waarden zijn het resultaat van eeuwenlange strijd waarin exclusiviteitsclaims - zoals die van Klop - uiteindelijk werden 'ingedamd', beperkt tot de eigen groep, en waarin tegelijk wordt gezocht naar een samenlevingsvorm met lieden die er andere exclusieve normen en waarden op na houden.

Voorbeelden zijn: verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit. Die zijn inderdaad cruciaal voor een moderne samenleving, niet omdat ze gemeenschappelijkheid uitdrukken, maar juist omdat ze het ontbreken daarvan opvangen. Het jargon van gemeenschappelijkheid is hier dus misplaatst.

De andere normen en waarden die hierboven genoemd zijn - fatsoen, eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, plichtsbesef, goed ouderschap, vakmanschap, goed nabuurschap, zorgzaamheid, liefde, vriendschap, altruïsme, bereidheid lief en leed met anderen te delen, naastenliefde - zijn noch inclusief noch exclusief. Ze zijn neutraal met betrekking tot de inhoud van het goede leven en tot de vraag hoe je diversiteit op dit vlak kunt bevorderen.

Dat wil niet zeggen dat ze onbelangrijk zijn. Integendeel. Een samenleving met alleen maar onfatsoenlijke, egoïstische, afhankelijke, spilzuchtige, niet deugende en onverantwoordelijke mensen die slecht opvoeden, geen vak beheersen, steeds ruzie hebben met hun buren, liefdeloos zijn en niet voor anderen willen zorgen, zo'n samenleving van etters kan niet bestaan.

Evenmin kan een moderne samenleving bestaan zonder duidelijke verkeersregels, een werkend communicatiesysteem, een bureaucratie die niet al te kreukbaar is, enzovoort. Je zou dit facilitaire normen en waarden kunnen noemen: ze zijn onontbeerlijk voor geordend samenleven, zonder dat ze mensen expliciet binnen- of buitensluiten. Ze drukken niet speciaal centrale beginselen of visies op het goede leven uit, zijn ook niet het produkt van processen van integratie van diverse groepen zoals tolerantie of rechtvaardigheid, maar vormen desalniettemin de smeerolie van een geordende samenleving.

Het getob over falende normoverdracht kan zich beter op deze facilitaire normen en waarden richten, dan op de zogenaamde funderende normen en waarden. Niets is fnuikender voor het rechtsgevoel van burgers dan incompetentie bij justitie of politie; niets stimuleert calculerend gedrag bij de burger meer dan een falende bureaucratie, politiek, enzovoort.

Facilitaire normen en waarden zijn spelregels die de betrekkingen tussen mensen reguleren. De verbetering van de effectiviteit en dienstverlening van diverse instanties in onze verzorgingsstaat zal meer zoden aan de dijk zetten dan het “verankeren van gemeenschappelijke normen en waarden in het geweten van burgers” (Van Dantzig).

In plaats van te hameren op deugdzame burgers en een gedeelde publieke moraal, zou het geen kwaad kunnen de aandacht te verleggen naar fatsoenlijke, verantwoordelijke, plichtsgetrouwe en vakbekwamen organisaties en instanties. Niet dat mensen altijd deugen. Ik wil niet terugvallen in een oud, vulgair sociologisme. Maar het gepraat over gemeenschappelijke normen en waarden zal hen er niet toe brengen zich meer aan de regels te houden.

En die inclusieve normen en waarden dan, vormen die dan niet onze 'gedeelde publieke moraal'? Ik heb moeite met zo'n omschrijving, omdat in een domineesland als Nederland het gemeenschappelijke wordt voorgesteld als een kwestie van moraal, terwijl wat in een pluriforme samenleving door iedereen gedeeld wordt, en ook alleen maar kan worden, een kwestie van politiek is.

Tolerantie is dan ook een politieke en geen morele deugd, ook al maakt iedereen dat er tegenwoordig van. (Niet voor niets ontbreekt het in de Tien Geboden: die mogen nog zoveel deugdzaamheid leren, maar omgaan met andersdenkenden zit daar niet bij).

Een democratische samenleving is heel goed mogelijk (en ook veel interessanter) met mensen zonder gedeelde normen en waarden. Zelfs met mensen die wat hun persoonlijke en groepsmoraal betreft zo intolerant als de pest zijn. Kijk maar naar de Nederlandse geschiedenis! Maar niet met mensen die hun moraal aan anderen willen opleggen; die van een pluriforme samenleving waarin plaats is voor diverse gemeenschappen met eigen normen en waarden, een enkele homogene gemeenschap willen maken. Zie Noord-Ierland of Bosnië.