Toejuichingsrecht

DE MINISTER heeft het goed voor met de studenten. Hij wil ze alle gelegenheid geven om zich geheel aan te studie te kunnen wijden. En om te laten zien hoe leuk studeren wel is, is hijzelf de afgelopen maandag nog eens weer in een jolige trui college gaan lopen aan de Vrije Universiteit, waar hij het goede voorbeeld gaf door te laat te komen. Maar wonderlijk genoeg had hij de afgelopen maanden blijkbaar geen tijd om met studenten in discussie te treden over de noodzaak studenten uit het bestuur van de universiteit te verwijderen.

Misschien is de belangstelling van studenten voor deelname aan het universitair bestuur ook wel niet zo omvangrijk. Misschien is de inbreng van studenten in de besturen op vele gebieden ook wel niet zo groot. Misschien is deelname aan het bestuur ook wel nuttiger voor de betrokken studenten dan voor het betrokken bestuur. Macht hadden de sinds een aantal jaren geminimaliseerde studentenvertegenwoordigers al nauwelijks meer. Maar de inzet en de ernst van vele student leden van raden en besturen waren desondanks dikwijls haast aandoenlijk.

Studenten zijn trouwens niet de enigen die zich afvragen waarom de wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) zo nodig is. In mijn eigen faculteit, de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Leiden, heb ik de afgelopen jaren zelden iets gemerkt van een urgente behoefte aan ingrijpende veranderingen in de universitaire bestuursvorm. Natuurlijk, besluitvorming kost tijd, maar als er geen draagvlak is voor een bestuurlijke beslissing gebeurt er toch niets en blijft het besluit een dode letter. In het algemeen zijn de opeenvolgende faculteitsbesturen erin geslaagd het boeltje redelijk bij elkaar te houden en toch de nodige ingrijpende keuzes te maken. Misschien niet ingrijpend genoeg in de ogen van hem die boven ons is gesteld, maar ingrijpend genoeg voor de direct betrokkenen.

Natuurlijk zal er onder het huidige stelsel best van tijd tot tijd iets fout gaan. Collega Bomhoff geeft op een andere plaats in deze krant regelmatig af op de situatie bij een mij verder onbekende vakgroep van de Erasmus Universiteit, waarmee hij blijkbaar in een eerder bestaan in Rotterdam erg vertrouwd is geweest. Het beeld dat hij schetst is echter voor mij nauwelijks herkenbaar. Maar wie weet, misschien heb ik de afgelopen jaren in het Leidse wel mogen slijten in een universitair paradijs, ver van de grauwe werkelijkheid van Rotterdam, waar geniale hoogleraren worden gemangeld tussen de inspraak van studenten en de obstructie door medewerkers.

De minister verwacht blijkbaar wonderen van zijn wet. Plaats een sterke man of vrouw aan het hoofd van een faculteit, maak hem of haar verantwoordelijk voor onderwijs en onderzoek, en alles sal reg kom. Het spook van de maakbare samenleving, althans van de maakbare universiteit, waart nog rond door Zoetermeer. De faculteitsraad krijgt zelfs een nieuw recht, het instemmingsrecht. Wat dat voor een recht is, weet ik niet.

Het ontbreekt er nog maar aan dat de resterende raden het toejuichingsrecht krijgen. En wanneer dan alle beslissingen van de grote leider onder donderend applaus zijn toegejuicht, kunnen we rustig gaan slapen - pardon, ons in alle rust gaan wijden aan het ontwikkelen van vooral studeerbare programma's voor veeleisende studenten en het bedrijven van excellent onderzoek in onze onderzoekschool.

Zo werkt het natuurlijk niet. Zeker niet in een Letterenfaculteit, die nu eenmaal bestaat uit een groot aantal zelfstandige studierichtingen. Elk van die studierichtingen heeft zijn eigen onderwijsprogramma. Het onderwijsprogramma wordt wel vastgesteld door de faculteitsraad, maar die doet weinig anders dan goedkeuren wat de vakgroep voorstelt. Door de grote inhoudelijke verschillen tussen de verschillende studierichtingen zal dat ook in de toekomst wel zo blijven. De onderwijsprogramma's moeten niet alleen worden ingericht, ze moeten ook worden bemenst en verzorgd. Dat alles vergde organisatie en besluiten op het niveau van de studierichting en zal dat ook in de toekomst blijven doen.

In mijn faculteit valt de studierichting in de regel nu nog samen met een vakgroep en dat lijkt mij bestuurlijk - al ben ik natuurlijk geen bestuurskundige - een heel gezonde situatie. Nu kent de MUB geen vakgroepen meer, dus zal de faculteit wel weer zoiets moeten instellen bij reglement. Misschien mogen die eenheden ook nog wel weer de inmiddels ingeburgerde naam van vakgroep dragen. Het mag natuurlijk ook wel iets anders heten, en het blijft handig dat er een zekere organisatorische link is met de studenten. Binnen die sectie of vakgroep of departement zal aan een bestuur en besluitvorming weer niet te ontkomen zijn. Anders dan in sommige universitaire romans wordt voorgesteld, is het voorzitterschap van zo'n sectie of vakgroep of departement zelden een begeerde positie.

De meeste voorzitters van vakgroepen vervullen hun functie zuchtend, uit plichtsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel, met vallen en opstaan. Ze zouden maar al te graag hun taak overgenomen zien door een terzake kundige decaan, die als efficiënte manager wel doende rond zal gaan door de faculteit. Misschien is zo'n decaan ook wel denkbaar in de medische of juridische faculteit, waar de faculteit als geheel één studierichting verzorgt (en het onderzoek vrijwel geheel is ondergebracht in vrijwel zelfstandige onderzoekscholen). Zoals wel vaker krijgt men als lid van de letterenfaculteit de indruk dat de regelgeving vooral is toegesneden op de behoeften en mogelijkheden van een ander type faculteit, met een andere organisatie van onderwijs en een andere traditie van onderzoek. Misschien is in sommige faculteiten het nieuwe bestuursmodel ook wel uiterst gewenst. Bij de letterenfaculteit zie ik in Nederland zo'n alwetende en almachtige decaan nog niet zo gauw opstaan. En de wetenschapper die in zijn of haar eentje het gehele terrein van de letteren overziet zodat hij of zij alleen verantwoordelijk kan zijn voor onderwijs en onderzoek van de gehele faculteit wacht ongetwijfeld liever op een Spinoza-prijs van NWO dan dat hij of zij zich zou laten omscholen tot een professionele bestuurder.

Het resultaat van alle moeite van de minister en zijn ambtenaren, van de Kamerleden en commentatoren, van de ingehuurde bestuurskundigen en de zittende bestuurders zal uiteindelijk waarschijnlijk zijn dat er in feite niet zoveel zal veranderen. Er komen nieuwe functies (met nieuwe salarissen?), er komen nieuwe reglementen, en er komen nieuwe namen. En als dan na veel heisa en soesa dat allemaal is opgetuigd, zullen dezelfde mensen dezelfde onderwijsprogramma's verzorgen en hun steeds weer andere onderzoek verrichten, en zullen op dezelfde niveaus dezelfde organisatorische activiteiten moeten worden ontwikkeld. Ten koste van onvrede onder grote groepen studenten en van onbegrip onder een groot gedeelte van de universitaire staf, wordt dan misschien op zekere plaatsen een zekere stroomlijning van het bestuur bereikt.

Misschien is dat in de ogen van de minister wel voldoende. Maar de ervaring leert dat vrijwel iedere reorganisatie net zoveel problemen schept als oplost. Naarmate de persoonlijke macht van de bestuurder toeneemt, worden persoonlijke relaties belangrijker en zal zich een groter deel van het besluitvormingsproces aan het oog van de betrokkenen onttrekken, met alle mogelijke problemen van dien. En naarmate de decaan nieuwe stijl de mogelijkheid krijgt zijn of haar eigen visie op zijn of haar faculteit gestalte te geven, wordt het risico van foute beslissingen groter. Waar nu nog met vele stuurlui aan het roer en op de wal behoedzaam wordt geschipperd, stomen we straks in volle vaart vooruit - of we ploegen ons in de wal.

Ik voorzie dan ook een bloeiperiode voor de universitaire bladen. De journalistiek wordt spannender voor de medewerkers van Folia en Mare en hun werk belangrijker als straks de achterkamertjespolitiek meer kansen krijgt. En we kunnen ons al bij voorbaat verkneuteren over de onontkoombare sappige affaires rond het ontslag van benoemde decanen, wanneer blijkt dat ze de hooggespannen verwachtingen maar al te vaak niet waar kunnen maken.